Clarity (40)

Vorige week kwam een deelnemer aan onze Drafting better contracts in English-training met een interessant puntje. Zij had een simpel Nederlandstalig arbeidscontract dat voor een niet-Nederlandstalige werknemer in het Engels moest worden opgesteld. Eén van de overwegingen in dat contract was: “Dit Contract vervangt alle eventueel eerder gesloten
contracten en gemaakte afspraken tussen Partijen”. Zij maakte hiervan: The Contract
replaces all employment contracts and other agreements formed and signed between the Parties.
Haar cliënt had problemen met de omissie van het Nederlandse woord “eventueel”. Hoe nu verder?

Na wat gehersenstorm kwamen zij op iets dat het woordje “eventueel” zou kunnen
opvangen: gebruik het hulpwerkwoord may, als in (bijv.): The Contract replaces all
employment contracts and other agreements which may have been formed and signed
previously between the Parties
. Nog afgezien van het feit dat dit een wat onnodig lange en onhandige zin is, komt hier nóg een probleempje om de hoek kijken: het gebruik van may.

We hebben het hier al eerder gehad over may in juridische teksten, maar als het heel
specifiek over contracten en de taal ín contracten gaat, kan het wel wat meer problemen opleveren dan voorzien. Alle Engelse hulpwerkwoorden (can, must, shall, ought, will en dus ook: may) zijn zgn. defective verbs, gebrekkige werkwoorden dus. Werkwoorden die geen vervoeging of andere tijden hebben en daarom ook niet “op eigen kracht” een bepaalde tijd, een bepaald aspect, of personen, geslachten of modaliteiten kunnen uitdrukken op de manier van werkwoorden die wel kunnen worden vervoegd, of een andere tijd (kunnen) hebben.

En omdat Engelse hulpwerkwoorden defective of “gebrekkig” zijn, en dus openstaan voor veel interpretatie, staat het gebruik ervan (in met name contracten) garant voor watervallen aan rechtszaken. En al helemaal in de Anglo-Amerikaanse rechtswereld omdat
sommige werkwoorden in de loop van de tijd alleen maar gebrekkiger worden. Het woord should bijvoorbeeld is etymologisch gezien de verleden tijd van shall, maar wordt al heel erg lang gebruikt als je een soort morele verplichting aan wil geven. Dat is met name in het Anglo-Amerikaanse rechtssysteem lastig omdat het “Woord van de Wet” daar zo
allesoverheersend belangrijk is (case law etc.)

Hele bibliotheken zijn volgeschreven over de betekenis (of misschien liever gezegd: de
interpretatie) van can, must, shall, ought, will en may en deze Branch Out Legal English Blog doet daar vrolijk aan mee. Om nu eens een eind te maken aan die voortdurende
interpretatie-oorlog in Anglo-Amerikaanse rechtbanken, is er een school van contract drafters die een bijna wiskundige oplossing voorstaat. Hulpwerkwoorden, zo stelt deze school, dienen ingedeeld te worden in een 10-tal categorieën waar je je streng aan moet houden; het vergroot de duidelijkheid en verkleint zodoende het risico op (juridische) onenigheid. Zo stelt Kenneth A. Adams in zijn  A Manuel of Style for Contract Drafting voor om ieder Engels hulpwerkwoord een eigen functie, een eigen categorie te geven. Zie voor deze categorieën hier in een eerdere blog.

En daar komt may ook weer tevoorschijn. Adams schrijft dat may (in ieder geval in
contracten!) behoort tot de categorie Language of Discretion, oftewel: language stating that a party has the discretion to take or not to take a specified action. Usually expressed through use of ‘may’ or ‘is entitled to’ (verrassend genoeg dus, als het Nederlandse ‘mag’ van ‘mogen’). En dat botst nogal met het door de cliënt van onze deelnemer voorgestelde […] and other agreements which may have been formed and signed […].

Daarnaast komt het ook nogal eens voor dat het woord may in contracten door rechters wordt geïnterpreteerd als must. Diverse legal style guides wijzen erop dat je dan beter
inderdaad gewoon must kan gebruiken, of, als je niét must bedoelt, dan het woordje may tussen haakjes nog te verduidelijken, zoals in may (but is not obliged to) of anders: may (but need not). Waar je het woord may buiten contracten verder allemaal voor wil gebruiken, moet je natuurlijk zelf weten, het gaat hier alléén over de taal die je in contracten gebruikt.

En net zoals should oorspronkelijk de verleden tijd was van shall, was might (opnieuw:
etymologisch gezien) de verleden tijd van may. De algehele tendens op dit moment is dat (buiten contracten om, dus) may een mogelijkheid of waarschijnlijkheid uitdrukt, maar dat might weer wat vraagtekens zet bij die mogelijkheid of waarschijnlijkheid en het ietsje
onwaarschijnlijker maakt.

Tenslotte dan: hoe heeft onze deelnemer de zaak opgelost? Heel simpel eigenlijk, namelijk door te kijken naar het Nederlandse origineel. Daar staat inderdaad het woordje “eventueel”. Maar wat doet dat woord daar? En waarom staat het daar? Het voegt niets toe aan “Dit Contract vervangt alle eventueel (sic!) eerder gesloten contracten en gemaakte
afspraken tussen Partijen”, dus dat had je er net zo goed uit kunnen laten. En als het er niet staat, hoef je ook niet te zoeken naar een Engels equivalent te zoeken. Kijken naar het
origineel… misschien iets wat mensen vaker zouden moeten doen? Case closed.

Plain English (27)

Het begrip Term of Art is op deze plek al menigmaal gevallen. Voor degenen die het gemist hebben: een Term of Art is: an expresssion which is used by persons skilled in some particular profession, art or science, and which the practioners clearly understand even if the unitiated do not, zoals door advocaat Robert Walker gedefinieerd in de Britse zaak Skerritts of Nottingham Ltd. v Secretary of State For Environment, Transport and Regions. Met andere woorden: een woord of uitdrukking met een vaste “technische” betekenis, onafhankelijk van context en moeilijk op een andere manier onder woorden te brengen.  Het fenomeen Term of Art is dus niet exclusief aan juristen; alle andere beroepsgroepen maken gebruik van Term of Art.

Voorbeelden van (Engelstalige) juridische Terms of Art zijn bijv.: bailment (het overdragen van eigendom op voorwaarde dat de ontvanger er op een bepaalde manier mee omgaat), easement (het recht om land te gebruiken voor een gelimiteerd doel, zoals bijv. het recht op overpad), escrow (een op een bepaalde manier afgesloten akte), en u weet er zelf best ook een aantal te noemen. Al in 1628 beschreef Lord Coke juridische Terms of Art (toen nog: vocabula artis) als so apt and significant to express the true sense of the laws, and so woven in the laws themselves, as it is in a manner impossible to change them.

Allemaal leuk en aardig (laat die juristen maar hun eigen taaltje ontwikkelen, zou je
kunnen zeggen), veel ingewikkelder wordt het als precies dezelfde woorden in het Juristenengels (als Term of Art) en in het ‘gewone’ Engels, naast elkaar bestaan. Voorbeelden hiervan? Action (= activiteit én gerechtelijke procedure), consideration (= afweging én iets van waarde dat staat tegenover een belofte), demise (= dood, ondergang én lease), to determine (= beslissen én ergens een eind aan maken), instrument (= werktuig én document), without prejudice (met name als kopje boven een document) (= zonder vooroordeel én iets dat later niet in de rechtbank gebruikt kan worden) (hier meer
hierover)
specification (specificatie/opgave én misschien wel/niet: vermenging (hier meer hierover).

Het is daarom niet verwonderlijk dat men zich steeds vaker afvraagt wat men met die Terms of Art aan moet. De ene kant zegt: helemaal niets aan doen; die kant rechtvaardigt zich door te stellen dat je anders geen recht doet aan eeuwen en eeuwen aan case law waarin bepaalde woorden en termen een pure juridische functie hebben gekregen. Bovendien, zo stellen zij, is het aantal Terms of Art proportioneel zó klein dat het probleem niet overdreven moet worden. Dat laatste klopt ook eigenlijk wel: niet meer dan 3%
volgens een onderzoek uit 1985: Legalese and the Myth of Case Precedent. De andere kant vindt echter dat duidelijke en begrijpelijke “communicatie” boven alles gaat, legal writing of niet. Er zijn, zo stellen zij, grofweg vier technieken om met Terms of Art om te gaan.

Techniek 1: Vervang iedere Term of Art door een Plain English-equivalent. Voorstanders van deze techniek zetten al hun troeven op ‘begrijpelijkheid’: als de lezer het niet begrijpt, zoek dan een equivalent dat de lezer wél begrijpt. Dit vergt wel erg veel verantwoordelijkheid van de schrijver want dat equivalent moét ook alle juridische nuances van het origineel in zich hebben.

Techniek 2: Behoud de term, maar verklaar die tegelijkertijd. Voorbeeld: A & B are liable jointly and severally (that is, they are liable together and separately). Of andersom: A & B are liable separately and together (known as joint and several liability). (Lees hier meer over jointly and severally).

Techniek 3: Verklaar de Term of Art in een begeleidend woordenlijstje. Zorg er dan alleen voor dat het niet in de Definities terecht komt… alleen maar een uitleg.

Techniek 4: Gebruik de Term of Art in een titelkopje, maar gebruik verder Plain English in de tekst. Deze techniek kan wat lastig zijn omdat de niet-juridisch onderlegde lezer niet hoeft te begrijpen dat de Plain English-tekst een uitwerking is van de juridische implicaties van het titelkopje.

In Nederland hebben we gelukkig niet heel veel last van Terms of Art. Er bestaat natuurlijk veel juridisch jargon, maar dat is wat anders dan een Term of Art (dat wist George Orwell ons al te vertellen) . Er zijn allerlei initiatieven om het gebruik van jargon tegen te gaan, laatst nog door de KNB bijvoorbeeld. Maar veel belangrijker is dat de Anglo-Amerikaanse rechtspraak zó veel meer waarde hecht aan woorden dan de Nederlandse, civil law-rechtspraak. Daarnaast… door Nederlandse advocaten geschreven Engelstalige teksten vallen (meestal) toch niet onder Anglo-Amerikaans recht, en om zich nog verder juridisch in te dekken geven Nederlandse advocaten vaak wat ze eigenlijk bedoelen te zeggen tussen haakjes het Nederlandse equivalent in hun Engelstalige correspondentie. Voorbeeld uit een pre-Course Task: Liability for tort (onrechtmatige daad) committed by the Exempted Company is not covered by the 403-declaration (403-verklaring). Als je dat doet, overigens, zorg dan wel voor enige consistentie; in hetzelfde stuk staat later:
403-statement ipv. 403-declaration

En als Nederlandse advocaten zich helemaal vastdraaien, dan Haviltexen ze zich er wel weer onder uit… de Geest van de Wet is nog altijd belangrijker dan de Letter van dezelfde…

 

What’s in a language? (51)

In de zaak  Cummings v Granger opende de rechter Baron Denning (probably the greatest English judge of modern times, volgens Margaret Thatcher) met: This is the case of the
barmaid who was badly bitten by a big dog.
Een prachtig staaltje van alliteratie (ofwel het herhaald gebruik van gelijke beginmedeklinkers in twee of meer beklemtoonde lettergrepen of woorden binnen één zin).

In een feitelijke en van emoties gespeende wereld als de rechtspraak is het eigenlijk
opmerkelijk dat een poëtische stijlvorm als alliteratie door de (met name Engelstalige)
juridische wereld vaak omarmd wordt. Aan de andere kant zou je ook kunnen stellen dat alliteratie al vanaf het begin van de Engelse rechtspraak een belangrijk stijlmiddel is.

Alliteratie is in wezen een bijzonder handig geheugentechnisch hulpmiddel. Zeker toen men nog erg weinig geschreven woord gebruikte, was alliteratie (naast andere poëtische kenmerken, zoals assonantie, ritme, rijm etc.) één van de middelen om (o.a.) wettelijke normen te helpen behouden en uit het hoofd te leren. In 1066 werd in Engeland veel
“traditionele” rechtspraak aan de kant gezet door de binnenvallende Normandiërs die hun eigen taal (met bijv. verhoudingsgewijs veel meer eindrijm, denk aan Sinterklaasrijmpjes: denken-schenken) en juridische gewoontes introduceerden. (voor een kort geschiedenis-
lesje, klik hier). In de tweede helft van de 14e eeuw grepen de Engelsen weer langzaam terug op hun “ eigen” Angelsaksische traditie van vóór 1066. Engels kwam weer terug als rechtstaal, en met die terugkomst ook weer de alliteratie. Dit staat in de literatuur-
geschiedenis zelfs bekend als de alliterative revival.

Het is daarom geen toeval dat veel van de uit die tijd stammende legal doublets and triplets  alliteraties zijn  die het legal English vandaag de dag nog steeds gebruikt, juist uit die tijd stammen: signed and sealed;, aid and abet; search and seizure; rest, residue and
remainder; any and all; each and every; have and hold; clear and convincing; safe and sound; part and parcel
; malice murder; aggravated assault; friendly fire; adverse authority; hell or high water (in contracten) en ga zo maar even door.

Ook is het daarom geen toeval dat alliteratie in de Anglo-Amerikaanse rechtspraak zó wordt aangeschreven dat Ross Guberman (een legal writing-docent aan de Yale Law School) in 2017 de Judicial Alliteration Award in het leven riep en deze gelijk aan de Supreme Court-rechter Neil Gorsuch toekende voor diens opinion in Henson v. Santander Consumer USA ) over o.a. de opdringerige marketingtechnieken van Santander waarin hij schrijft: Disruptive dinnertime calls, downright deceit […] drew Congress’s eye to the debt collection industry. From that scrutiny emerged the Fair Debt Collection Practices Act. Iets wat Steven Mazie van The Economist prompt aanzette tot de baas-boven-baas-tweet Gorsuch goes gaga for alliteration in opening line of 1st #SCOTUS op. Of die prijs daarna nog eens is gegeven, is onbekend.

En wie herinnert zich niet de zin van Johnnie Cochran, de advocaat van O.J. Simpson die in de zaak tegen ex-basketbalspeler naar voren bracht dat the prosecution’s evidence is
compromised, contaminated, and corrupted
? Gevleugelde woorden.

In Nederland komen we er een beetje bekaaid van af. Bij Houthoff schijnt een allitererende advocaat (op zich al allitererend aardig) te werken, maar de werkelijke wettige
werkzaamheden schijnen weerbarstiger te zijn. Verder voeren we in dit land alleen maar rechtszaken tégen alliteratie. Tegen “Grenzeloos Genieten”, bijv. Of tegen de slagzin “Het beste voor Baby’s Billetjes” van Billies Baby luiers waarvan de Presi­dent van de Rechtbank te Rotterdam de creativiteit er niet inzag: “Wij kunnen in de slagzin van eiseres niet zozeer een werk van letter­kunde, wetenschap of kunst onderken­nen. Daarvoor mist deze zin toch de nodige originaliteit”. Dan is de eerste bekende rechterlijke uitspraak over auteurs-
rechtelijke bescher­ming van een alliteratie (van de arrondissements­recht­bank te Den Haag uit 1966) misschien nog het mooist: twee partijen die vechten om de slagzin “Bevrijdt uw auto – vliegensvlug – van vastge­vlogen insecten”, .

En hoewel Yale Law School professor Fred Rodell al in 1962 over zijn eigen werk in Goodbye to Law Reviews–Revisited al schreef: A quarter century has wrought no revolution among the professional purveyors of pretentious poppycock,  is het toch het leukst om hier en daar een goed voorbeeld van onopzettelijke alliteratie tegen te komen. Zoals bijv.  in de Texaanse Voedsel- en Warenwet (25Tex.Admin.Code§241.69) over het pellen (=to shuck) van
garnalen: Shellfish shall not be subjected to contamination while being held or processed. Shellstock to be shucked shall be stored in such locations that contamination from standing water or splash from foot traffic does not occur….Only safe and wholesome shellfish shall be shucked.

Mooier kunnen we het niet maken.

Clarity (39)

In 2015 zat Nathan Van Buren, een voormalig politieagent in Cumming, Georgia, wat krap bij kas. Toen kreeg hij ongeveer $ 5.000 betaald door een kennis om zijn officiële politie computertoegang te gebruiken om informatie op te sporen over een vrouw die de man had ontmoet in een stripclub. Jammer voor Van Buren echter dat het hele opzetje een valstrik van de FBI was: hij werd veroordeeld tot 18 maanden gevangenis op basis van overtreding van de Computer Fraud and Abuse Act (CFAA). Die wet verbiedt unauthorized access tot een computer. Unauthorized access wordt (o.m.) gedefinieerd met to access a computer with
authorization and to use such access to obtain or alter information in the computer that the accesser is not entitled so to obtain or alter.

Van Buren ging in beroep met het argument dat de clausule “exceeds authorized access” alleen van toepassing is op degenen die informatie verkrijgen waartoe hun computer-
toegang niet strekt, niet op degenen die misbruik maken van toegang die ze gewoon hebben.

Na veel juridisch geharrewar (hoger beroep verworpen, Van Buren achter de tralies etc.), gaf het Supreme Court hem afgelopen week toch gelijk. In het oordeel waarbij, verrassend genoeg (over die verrassing later), de drie door Donald T. benoemde opperrechters
gezamenlijk optrokken met de drie nog overgebleven liberal opperrechters, draaide het
voornamelijk om het woordje so, in … that the accesser is not entitled so to obtain or alter. (Lees de volledige, uiterst helder, geschreven uitspraak hier).

Van Burens gedragingen waren weliswaar in strijd met het afdelingsbeleid van de politie, zo schreef opperrechter Barrett, maar de vraag voor het Supreme Court was of het ook in strijd was met de CFAA.

Van Buren, en het Supreme Court met hem, merkte op dat het woord so dient als een
referentieterm die herinnert aan the same manner as has been stated of the way or manner described (zoals ook in Black’s Law Dictionary staat). Samenvattend stelt het Supreme Court dat de omstreden zinsnede entitled so to obtain duidelijk verwijst naar informatie die men niet mag verkrijgen door een computer te gebruiken waartoe hij gemachtigd is. Bij deze lezing, als een persoon toegang heeft tot informatie die is opgeslagen op een computer, schendt hij de CFAA niet door dergelijke informatie te verkrijgen, ongeacht of hij de
informatie voor een verboden doel betrekt of niet.

Het Openbaar Ministerie was het ermee eens dat het statuut het woordje so gebruikt in de term-of-reference zin van het woord, maar het stelde dat so een veel bredere bedoeling heeft. Het leest de zinsnede is not entitled so to obtain als verwijzing naar informatie die men niet mocht verkrijgen op de specifieke manier of omstandigheden waarin hij deze heeft verkregen. Daar was het Supreme Court het met een 7-2 verhouding dus niet mee eens: “So” is not a free-floating term that provides a hook for any limitation stated anywhere. It refers to a stated, identifiable proposition from the “preceding” text; indeed, “so” typically “represents” a “word or phrase already employed”, thereby avoiding the need for repetition.

Allemaal reuze-fijn voor Van Buren dus, maar deze uitspraak kan vérreikende gevolgen hebben voor de regels betreffende privé-gebruik van door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gestelde computers, laptops en software. Het O.M. waarschuwde dat een strikte lezing van de CFAA zoals het Supreme Court nu doet, mensen zou kunnen
beschermen die toegang hadden tot bedrijfsgeheimen en deze vrijgaven, of de informatie voor snode doeleinden gebruikten. Het Supreme Court aan de andere kant vindt dat de overheid werknemers in gevaar zou kunnen brengen die hun bedrijfslaptops gebruikten voor activiteiten zoals het controleren van sociale media of winkelen voor schoenen. The government’s interpretation of the statute would attach criminal penalties to a breathtaking amount of commonplace computer activity, potentially criminalizing “everything from
embellishing an online-dating profile to using a pseudonym on Facebook. Employers
commonly state that computers and electronic devices can be used only for business
purposes. So on the government’s reading of the statute, an employee who sends a personal e-mail or reads the news using her work computer has violated the CFAA
zo schrijft het Supreme Court. Journalisten, burgerrechtenactivisten en klokkenluiders vertelden de rechtbank dat een brede lezing het vermogen om misstanden aan het licht te brengen zou kunnen verminderen. (lees hier het Washington Post artikel daarover)

En daar is dan gelijk het verrassende aan de alliantie tussen de drie door Donald T.
benoemde opperrechters en de zgn. liberals. Ze doen een uitspraak, maar met volledig van elkaar verschillende motieven. Gorsuch, Barrett en Kavanaugh (de drie) zijn zgn.
textualists, aanhangers van de formalistische theorie waarbij de interpretatie van de wet primair is gebaseerd op de gewone betekenis van de wettekst, waarbij geen rekening wordt gehouden met niet-tekstuele bronnen (de “Letter van de Wet”); en vandaar het gehamer op en woordenboekenuitgepluis bij het woordje so. De andere drie (Kagan, Alito, Breyer) zijn meer bezorgd over de vrije meningsuiting en invloed die overheid zou kunnen krijgen bij een brede interpretatie van de CFAA (de “Geest van de Wet”).

Is dat niet precies hoe een Supreme Court zou moeten zijn?

Clarity (38)

Eén van minst gebruikte leestekens in juridische stukken moet wel het uitroepteken zijn. Uitroeptekens voegen namelijk emotie toe aan teksten, en de algemene gedachte is wel dat emoties in legal writing zoveel mogelijk uitgebannen dienen te worden.

Nu hebben leestekens het sowieso al altijd moeilijk gehad in, met name, Engelstalige
juridische stukken. Het geloof onder advocaten, rechters en wetgevers in common law-jurisdicties was dat bij het opstellen van contracten, uitspraken en wetten de interpunctie onbelangrijk was; de betekenis van juridische documenten moet worden bepaald aan de hand van de woorden in het document en hun context in plaats van aan de hand van interpunctie. Bij het opstellen van juridische teksten werd daarom weinig of zelfs helemaal geen interpunctie gebruikt. Dit maakte de meeste juridische teksten uiterst moeilijk
leesbaar en vaak zeer dubbelzinnig.

Nog steeds is de juridische wereld spaarzaam met punten, komma’s, dubbele punten,
puntkomma’s etc., maar het exclamation mark (of exclamation point, zoals het teken in Amerikaans-Engels heet) komt er wel heel bekaaid vanaf. Vooral Amerikaanse rechters hebben er iets tegen. Het Illinois Appellate Court vond dat repeated use of exclamation points at the end of sentences […] are not appropriate for inclusion in an appellate brief (In Re Marriage of Sykes, 596). Het Texas Appeals Court berispte een rechter die in zijn vonnis schreef: The answer to the question is yes!, met een duidelijk: The exclamation point should not have been used and such use should be avoided in the future. (Grappig genoeg, typisch een zinnetje dat zou moeten eindigen met een uitroepteken, maar goed…)

Dit komt allemaal overeen met de bevindingen in het onderzoek The Role of Emotional Language in Briefs Before the U.S. Supreme Court. Partijen, zo wijst dit onderzoek uit, die minder emotionele taal in hun processtukken gebruiken, vergroten duidelijk hun geloofwaardigheid en hebben veel meer kans om de rechter aan hun kant te krijgen door afgemeten, objectieve taal te gebruiken. En daar horen uitroeptekens zeker niet bij.

Het feit dat geschreven tekst in common law-jurisdicties zo belangrijk is, stelt diezelfde common law-jurisdicties vaak nu nog voor problemen. Toen wetten en contracten door middeleeuwse advocaten nog met de hand werden geschreven en door kopiisten werden vermenigvuldigd, was een overschrijffoutje snel gemaakt, en welke “letter van de wet” moet dan worden gevolgd? Dat is waarschijnlijk nóg een reden waarom er zo weinig
mogelijk van leestekens gebruik werd gemaakt. Als case law (één van de pijlers van het common law-systeem) zo belangrijk is, kan bijvoorbeeld een, al dan niet goed overgeschreven, komma meer of minder in een bepaalde clausule in een contract een wereld van verschil maken.

Voor een jurisdictie die zo erg op tekst leunt, is het verder verbazingwekkend dat men maar nauwelijks bekijkt wat de invloed is van de beschikbare techniek om die tekst te (re)produceren. Uitroeptekens zijn een manier om extra aandacht te vragen, maar daar zijn met de opkomst van de schrijfmachine ook  andere manieren voor gekomen. HOOFDLETTERS, bijvoorbeeld, of onderstrepingen. Aardig is hier om te vermelden dat het een hele lange tijd heeft geduurd voordat het uitroepteken überhaupt op het toetsenbord van een schrijfmachine verscheen. Nog in 1973 legde D.H. Whalen in het hoofdstuk Typing Other Than Letters in  het onvolprezen The Secretary’s Handbook uit hoe je een uitroepteken moest typen (namelijk door eerst de accenttoets in te drukken, dan een spatie terug te gaan en vervolgens een punt te typen). En met de komst van de
tekstverwerker en Word (en aanverwante) werd het mogelijk om ook extra aandacht te
vragen door woorden en zinnen dikgedrukt of cursief te maken.

Het mooie is: aan al die verschillende manieren werd als bij toverslag ook een juridische “betekenis” vastgeplakt. Zo vereisen bijvoorbeeld de Arizona Revised Statutes dat bepaalde woorden in contracten in DIKGEDRUKTE HOOFDLETTERS worden weergegeven, en heeft eigenlijk iedere Amerikaanse staat weer andere regels…

Een ironische speling van het lot is dan weer dat volgens de algemeen aanvaarde theorie het uitroepteken juist te danken is aan die middeleeuwse advocaten en kopiisten; zij beëindigden zinnen soms met het Latijnse woord ”io” (=vreugde of hoera) als lofuiting of bewondering. De o werd wat kleiner en eindigde tenslotte onder de i die zijn uiteindelijk z’n puntje verloor.

 

 

 

What’s in a word? (42)

Natuurlijk is “taal” het belangrijkste instrument van een advocaat. Alleen, in sommige
landen (en met name landen met een common law-rechtssysteem, ofwel: de meeste Engelstalige landen) lijkt het nog een stuk belangrijker dan in landen met een civil law-systeem (ofwel: de meeste Europese, niet-Engelstalige, landen). Of anders gezegd: landen waar de “letter van de wet” prevaleert boven de “geest van de wet”.

In 2014 schreef ik al eens een blog over de explosieve toename van het gebruik van
woordenboeken bij het Amerikaanse Supreme Court (hier nog te lezen). Ik schreef toen dat o.a. de historische interpretatie van het woord marriage de acceptatie in de VS (en dus de juridische onderbouwing) van het homohuwelijk flink in de weg heeft gezeten.

Al in 1945 schreef Judge Learned Hand in zijn vonnis in Cabell v. Markham: It is one of the surest indexes of a mature and developed jurisprudence not to make a fortress out of the
dictionary.
(De zaak ging over hoe het woord associate  geïnterpreteerd diende te worden). Hoewel hij dit hoogstwaarschijnlijk niet zo bedoeld heeft, moeten Learned Hand’s
woorden een aantal mensen aan het denken hebben gezet in de richting van: “nee, alleen woordenboeken zijn niet genoeg”.

Aangezet door steeds grotere digitale mogelijkheden om teksten en archieven te doorzoeken, kwam rond 2010 de Law & Corpus Linguistics-beweging op stoom. Law & Corpus Linguistics (LCL) is nu een snel opkomende juridische discipline die de kracht van big data wil benutten om empirisch bewijs te leveren over de betekenis van woorden en zinnen in juridische instrumenten. De Brigham Young Law School begon in 2013 met een leergang law and corpus linguistics en steeds meer Amerikaanse universiteiten bieden nu deze
mogelijkheid.

In juli 2011 kwam de eerste rechterlijke mening in de Amerikaanse geschiedenis die
corpuslinguïstiek gebruikte om de betekenis van een juridische tekst te bepalen. In In re. the Adoption of Baby EZ (een adoptiezaak) ging het over het woord custody. Opperrechter Lee bekeek 500 gerandomiseerde voorbeeldzinnen uit het Corpus of Contemporary American English (COCA) en ontdekte dat de meest gebruikelijke opvatting van “voogdij” (custody, dus) lag in de context van echtscheiding in plaats van adoptie. Verder ontdekte hij dat “voogdij” tien keer vaker voorkwam in combinatie met “echtscheiding” dan met “adoptie”. Justice Lee concludeerde daaruit dat hij zou (moeten) vinden dat de voogdij-
procedures beperkt zouden moeten worden tot echtscheidingsprocedures, in plaats van een veel breder scala van voogdijprocedures.

Sindsdien vragen rechters steeds vaker om corpuslinguïstiek in te zetten. Wat moet je
bijvoorbeeld met het verbod to carry a firearm? Betekent dat écht een wapen op je lichaam te dragen, zoals vermoedelijk de bedoeling was toen die wet geschreven werd, of betekent het ook dat een wapen in je dashboardkastje van je auto onder to carry a firearm valt, zoals in Muscarello vs. United States aan de orde kwam?  Auto’s namelijk, laat staan dashboardkastjes, bestonden niet toen die wet van kracht werd. Het Supreme Court, overigens, meende dat hier geen verschil in was…

Corpuslinguïstiek wordt door Amerikaans rechtbanken momenteel regelmatig ingezet
zodat woorden in wetten hun “gewone” betekenis krijgen. De regel is gebaseerd op de veronderstelling dat de wetgever hoogstwaarschijnlijk heeft bedoeld dat de taal in hun gewone betekenis wordt begrepen, én op de veronderstelling (en: hoop) dat mensen die aan dergelijke wetten onderworpen zijn, zo beter hun rechten en plichten zullen begrijpen. Jammer genoeg zijn rechtbanken het echter niet eens als het erom gaat te bepalen welke van de beschikbare betekenissen van een term de “gewone” is. Beslissingen worden (gelukkig nog steeds) genomen op basis van 1) de linguïstische intuïtie van de rechter, 2) woordenboekdefinities, maar 3) verwijzingen naar linguïstische corpora worden steeds
belangrijker.

Op dit moment speelt een hoger beroep in Jones vs. Becerra  waar de rechters aanvullende informatie hebben aangevraagd. Jones vs. Becerra is een zaak betreffende de grondwettigheid van een Californisch statuut dat de verkoop van vuurwapens aan personen onder de 21 jaar verbiedt. Het gaat over de zinsneden in het Tweede Amendement van de Amerikaanse grondwet (uit het jaar 1791) of particulier wapenbezit nu wel of niet is
toegestaan. Wat betekenden, op het moment van schrijven, de zinsneden: a well regulated militia, the right of the people of shall not be infringed? En dus: wat was de bedoeling van de schrijvers van dat amendement?

Woorden betekenen écht iets in de Engelstalige rechtspraak! (Hoewel het feit, hoe je het wendt of keert, natuurlijk blijft hoe daarmee om te gaan…).

Clarity (37)

Rechtszaken óver poëzie zijn er natuurlijk genoeg. Denk nog maar eens aan de Schmähkritik van de Duitse komiek Jan Böhmermann waarmee hij de Turkse president Erdogan voor geitenneuker en pedofiel (en nog veel meer, zie hier) uitmaakte. Rechtszaken mét poëzie zijn moeilijker te vinden. Tenminste… in landen met een civil law-rechtssysteem. In Engeland en Amerika (met een common law-systeem) is dat anders.

A groom must expect matrimonial pandemonium/ When his spouse finds he’s given her
cubic zirconium”.
Zo begint een afwijkende mening van rechter J. Michael Eakin (één van de opperrechters van het Superior Court van de Amerikaanse staat Pennsylvania) in de zaak Porreco v.Porreco uit 2002, waarin werd ingegaan op de vraag of een vrouw redelijkerwijs mocht vertrouwen op de bewering van haar man dat een verlovingsring $ 21.000 waard was, terwijl de steen erin nep was (geen diamant maar zirkonium, dus).

En dat was zeker niet de eerste keer dat judge Eakin zijn poëtische gaven etaleerde. Zo schreef hij in een andere zaak (Bush v. Bush) een heel oordeel op rijm: A deal is a deal if fairly undertaken/ And we find disclosure was fair and unshaken. (Lees hier voor zijn hele, op rijm gestelde oordeel).

Zijn collega-opperrechters waren, op z’n zachtst gezegd, not amused. Judge Ralph Cappy zegt hier (o.a.) over: “every jurist has the right to express him or herself in a manner the jurist finds appropriate. I am concerned about the perception that the public might form when an opinion of the court is reduced to rhyme”. Zijn “baas” Chief Justice Stephen A. Zappala, voegde daar nog aan toe dat “an opinion that expresses itself in rhyme reflects poorly on the Supreme Court of Pennsylvania”.

Een beetje lafhartig misschien, maar Eakin haastte zich dan ook om te zeggen dat hij dit écht nimmer en nóóit zou doen bij ‘serieuze’ zaken: “I would never do it in a serious criminal case. The subject of the case has to call for a little ‘grin and bear’. You have an obligation as a judge to be right, but you have no obligation to be dull”

In Nederland zou hij daar niet zo maar mee wegkomen. Op het eind van een zittingsdag in de Klimopzaak (grootschalige vastgoedfraude) in 2011 vond rechter Rino Verpalen het een goed idee om de eerste acht regels van het gedicht “De Pruimenboom” van Hieronymus van Alphen te citeren (u kent het wel, die van “Jantje zag eens pruimen hangen“, zo niet: klik hier). Verpalen vond dat de poëzie paste bij de luchtige sfeer van dat moment, zo
verklaarde hij nadien. Hij werd prompt gewraakt. Volgens de wrakingskamer namelijk “had de voordracht in feite geen enkele functie” en de wrakingsrechters konden zich goed voorstellen dat de beide verdachten bang waren een partijdige rechtbankvoorzitter tegenover zich te hebben.

Verdachten krijgen tijdens een rechtszaak steeds vaker de gelegenheid om hun spijt of medeleven uit te spreken richting de slachtoffers. Maar toen Ergün S., de verdachte van de Pathé-moorden in Groningen, vorig jaar te kennen gaf dat hij een gedicht aan de nabestaanden wilde voordragen, stak de rechter hier een stokje voor. Spijt en excuses? Prima, maar dan wél in normaal proza, graag! Poëzie moet gewantrouwd worden!

Poëzie en rechterlijke opvattingen zijn strange bedfellows. Oordelen is normaal gesproken een prozaïsche taak: argumenten afwegen, juridische doctrines toetsen, feiten zoeken, conclusies formuleren, winnaars en verliezers verklaren, wetten schrijven en aankondigen enz. enz. Maar hoewel er hier en daar wat (Engelse en Amerikaanse) wenkbrauwen worden opgetrokken, komt in landen met een common law-rechtssysteem opmerkelijk veel vaker poëzie en literatuur voor. Of dat nu in de vorm is van zelfgefabriekt riimelarij (zoals dat van judge Eakin) of citaten uit bestaande gedichten of vergelijkingen uit romans, etc. (voor talrijke common law-voorbeelden: lees het essay Fiction and Poetry in Judgments). Dit laat opnieuw zien dat ‘taal’ een heel andere rol speelt in de Engelstalige juridische wereld. (Vorige week ook al opgemerkt).

Je kan natuurlijk verzinnen dat ‘rechtspraak’ in Engeland een hele andere ontwikkeling heeft gemaakt dan in Nederland; met veel vaker een innige band met de (koninklijke) machtshebbers. Heeft u zich bijv. wel eens afgevraagd waarom een rechtszaal in het Engels een courtroom heet? Een kamer dus aan het (koninklijke) hof, waar onder leiding van de koning recht werd gesproken? Koningen die zich ook graag lieten omringen met dichters, geschiedschrijvers etc., waardoor de kruisbestuiving tussen recht en poëzie optimaal was. En zelfs nu biedt vrijwel elke Amerikaanse en Britse universiteit het vak Law and Literature.

Al met al misschien de reden waarom de term “poetic justice” in het Engels een gevleugelde uitdrukking is en een Nederlands equivalent nauwelijks bestaat?

What’s in a language? (50)

Op deze plaats heb ik al een aantal malen geschreven over taalverandering en over hoe bang of juist hoe gelukkig we daarover moeten zijn. Lees bijv. hier of hier.  Nou is dat
natuurlijk niet alleen een Nederlands stokpaardje. In Engeland bijvoorbeeld waarschuwt  de voorzitter van de Plain English Campaigh, Marie Clair in the Daily Mail: “There is a
worrying trend of adults mimicking teen-speak. They are using slang words and ignoring grammar. Their language is deteriorating. They are lowering the bar. Our language is flying off at all tangents, without the anchor of a solid foundation
”. Ook de Queen’s English Society vecht al tientallen jaren voor het behoud van de Engelse taal zoals we die kennen: “Some changes would be wholly unacceptable, as they would cause confusion and the language would lose shades of meaning” schrijft de Society op haar, overigens erg vermakelijke en
informatieve, website.

Je kan makkelijk een aantal redenen bedenken waarom er, op het oog, meer Engelse verzuchtingen over zgn. taalverloedering zijn dan Nederlandse. Het Engels is ouder; in Engeland bestond er veel eerder een hofcultuur waar “taal” en “taalgebruik” veel
belangrijker werden gevonden; de Engelsen hadden veel meer last, dan wel profijt, van
talige invloed van hun koloniën; In Engeland is taal een stuk belangrijker in wetgeving en rechtspraak (“de letter van de wet”) dan in Nederland (waar “de geest van de wet” een veel grotere rol speelt); Engels als voertaal is veel belangrijker in de hele wereld; en ga zo nog maar even door.

Genoeg redenen dus om je op te winden over de teloorgang ervan. En zich opwinden over taalverloedering doen de Engelsen al minstens vanaf het jaar 1380 toen John Trevisa  een in het Latijn geschreven werk van de Benedictijner monnik Ranulf Higden  in het Engels vertaalde: “By intermingling and mixing, first with Danes and afterwards with Normans, in many people the language of the land is harmed, and some use strange inarticulate utterance, chattering, snarling, and harsh teeth-gnashing”.

Het was dan ook een echte ‘oogopener’ om het boek Don’t Believe a Word: The Surprising Truth About Language  van David Shariatmadari te lezen. Shariatmadari schrijft regelmatig voor de Britse krant The Guardian over taal en in dit boek weerlegt hij één voor één de sprookjes over vermeende taalverloedering. Eigenlijk komt het erop neer dat er niks te vrezen of te juichen valt: taal verandert, of je het nu leuk vindt of niet.

En taal verandert niet alleen omdat er andere woorden of uitdrukkingen ontstaan, maar ook omdat de grammatica verandert. Een mooi voorbeeld dat hij in het boek geeft, is het Engelse will, de (huidige) standaardaanduiding van de toekomende tijd in het Engels. Het gaf ooit verlangen en intentie aan. Het Engels I will betekende ooit “ik wil, ik wens” (als het Nederlandse “willen” dus). Nog steeds bestaat dat in het Engelse if you will (“als je wilt/
verlangt”). Maar omdat verlangens hoop voor de toekomst zijn, werd dit veel voorkomende werkwoord geleidelijk aan eenvoudigweg gezien als een toekomst-aanduider. Het verloor zijn échte betekenis en werd slechts een grammaticaal deeltje. De oorspronkelijk toekomst-aanduider, shall, verloor eveneens zijn betekenis en kreeg (of liever gezegd: zou, met name in juridische teksten als contracten e.d., moeten krijgen) meer de betekenis van “moeten”.

En daar ligt precies het probleem met een zichzelf steeds vernieuwende taal, of, meer in het bijzonder, een zichzelf steeds vernieuwend Engels. Engels is namelijk de taal van het common law-rechtssysteem; een systeem met een heel stelsel gewoonterecht waar
jurisprudentie leidend is; bij wetsvorming en rechtszaken wordt uitgegaan van eerder gedane gerechtelijke uitspraken in gelijksoortige zaken (de zgn. decisions). Bij iedere nieuw aangespannen rechtszaak wordt uitgegaan van het principe dat gelijksoortige rechtszaken behandeld moeten worden volgens consistente regels, zodat ze tot een gelijksoortig
resultaat leiden.

Maar wat nu als de taal verandert (wat-ie, volgens David Shariatmadari, voortdurend en onvermijdelijk doet), maar  in gerechtelijke beslissingen tegelijkertijd móét worden meegenomen wat de betekenis was vóór die veranderingen? Zie de, letterlijk honderden, rechtszaken over wat shall of will betekent in, bijvoorbeeld, contracten…

What’s in a language? (49)

Daar dacht u misschien dat u uw Legal English prima op orde had. De Engelse grammatica is onder knie. Uw Engelse zinsbouw is nagenoeg perfect. Uw woordkeuze is prima. U slaat de juiste toon aan bij de daarbij passende lezers. U kent de verschillende kenmerken van Civil Law en Common Law, dus weet u dat woorden er in het Legal English er meer toe doen dan in het Juridisch Nederlands. Uw interpunctie is in orde. U schrijft uw Letters of Recommendation informatief, kort, bondig en to the point. Uw Engelstalige contracten zijn éénduidig, nooit is daar maar één rechtszaak over aangespannen. En u heeft de laatste 257 Branch Out Legal English Blogs gelezen. Kortom, één dik, vet Facebookduimpje!

Maar dan beginnen ze over het lettertype!! Tenminste… “ze”? Het Hof van Beroep in het District of Columbia (zeg maar het centrum van de macht: Washington) ook wel de 9th Circuit genoemd, deed op 16 maart 2021 een belangrijke aankondiging aan procederende partijen: gebruik geen Garamond… (het lettertype, ja) maar liever Century of Times New Roman. Het is strikt genomen geen regel maar meer een “advies”, een advies dat u maar beter op kan volgen. Volgens deze aankondiging wordt het gebruik van het lettertype Garamond in juridische documenten “sterk ontmoedigd”, zeg maar: verboden.

Het probleem schijnt allereerst de leesbaarheid van het kleinere Garamond te zijn. Hoewel de federale regel van beroepsprocedure 32 (a) (5) al vereist dat alle lettertypes .14 moeten zijn. Anderen wijzen op de onleesbaarheid van cursivering in Garamond. Ook schijnt het paragraafsymbool (§) in Garamond moeilijk leesbaar te zijn en dat symbool wordt toevallig erg vaak gebruikt juridische stukken. Zo wordt Title 16 of the United States Code Section 580p in het kort: 16 U.S.C. § 580p.

Overigens is het hier misschien handig te vermelden dat het “§” in het Engels een section sign heet, en met paragraph (= het Nederlandse “alinea”) het ¶-teken wordt aangegeven en dan weer juist paragraph sign heet. Met andere woorden als Nederlanders zeggen “Artikel 12 van…” is dat in het Engels: Section 12.

Maar goed, paragraph, section, alinea of wat dan ook… Garamond is wél een stuk zuiniger in het gebruik. In 2014 stelde een student uit Pennsylvania het lettertype voor als een kostenbesparend, printerefficiënt lettertype waarmee de overheid ongeveer U$ 400 miljoen per jaar aan afdrukkosten zou kunnen besparen (lees hier).

Natuurlijk zijn lettertypes vaak het onderwerp van onderzoek is geweest. Zo leert een Princeton-studie uit 2010  dat lezers juist aanmerkelijk meer informatie onthielden als die informatie in een “lelijk”, of “ongebruikelijk” lettertype werd gepresenteerd, zoals bijv. Monotype Corsiva or Haettenschweiler (dit fenomeen wordt in de psychologie disfluency genoemd).

Ook zijn er genoeg onderzoeken (deze bijvoorbeeld) die uitwijzen dat lezers een tekst
serieuzer nemen als het in een “serieus” lettertype (zoals in het bijzonder: Baskerville) staat en een heel stuk minder als een minder serieus lettertype (zoals bijv. Comic Sans) wordt gebruikt.

En dan heb ik het nog niet eens over verder onderzoek naar lettertypes (schreef of
schreefloos, typeface, paginagrootte, inktkleur, de x-hoogte, basislijn, interlinie, marges. de hoeveelheid witruimte en lettergrootte. Ga hier naar een kort overzicht. Daar zie je
overigens ook een groot verschil tussen de VS en Europa; lettergrootte .14 is min of meer standaard in de VS, terwijl .12 in Europa al als zó groot wordt gezien dat die alleen voor kopjes in een tekst wordt aanbevolen…

In ieder geval heeft het Hof van Beroep in DC geen zin meer in die Garamond. Een échte
reden wordt niet gegeven, maar de complottheoretici hebben al een behoorlijk aantal
redenen gevonden: niet alleen de lettergrootte staat namelijk vast in juridische stukken (namelijk .14), ook het aantal pagina’s is aan restricties onderworpen, namelijk, afhankelijk van welk document: tussen de 15 en 35 pagina’s. ). En hoe minder er in zo’n juridisch
document staat, hoe makkelijker het wordt om een hoger beroep te verwerpen. Met Garamond kan je heel wat meer vertellen op 25 pagina’s dan met Times New Roman. (Ter vergelijking: een tekst die in Times New Roman 25 pagina’s in beslag neemt, kost in Garamond 21 pagina’s). Of anders, zo twittert Sean Marotta, partner van Hogan Lovells, de lettertypepositie van het DC Circuit is een subtiele manier om het personeel van de Civil Appellate van het Amerikaanse ministerie van Justitie (vaak de tegenstander in dit soort
zaken) voor gek te zetten, als een institutie die semi-famously uses Garamond in its briefs.

En als u nu mocht denken dat het een uniek verschijnsel is dat rechtbanken zich met lettertypes en –groottes bemoeien, dan heeft u het mis. Het Supreme Court vraagt advocaten hun stukken in Century aan te leveren; het Hof van Beroep voor het 7th Circuit (in de staten Illinois, Indiana en Wisconsin) heeft een hartgrondige hekel aan Times New Roman (a font useful only for “a quick read”. Lawyers don’t want their audience to read fast and throw the document away; they want to maximize retention). Lees hier. En dit terwijl het State Department (het Amerikaanse Ministerie BZ) juist besloot om alleen maar in Times New Roman te publiceren…

Dus ja, alleen maar perfect Legal English beheersen is lang niet genoeg. Er komt nog veel meer bij kijken! Diepe zucht…

Clarity (36)

Keer op keer wijzen we in deze blog op een (op het eerste oog verfrissend) kenmerk van het Common Law-systeem dat alles ligt besloten in de bewoordingen van een contract.  Rechters kunnen in een zaak alléén afgaan op de tekst zélf, en dus niet op de bedoelingen van wat er in zo’n contract overeengekomen is. Lees bijv. nog eens hier of hier .

Dat scheelt een hoop gedoe, zou je zo kunnen zeggen. Maar dan heb je niet gerekend met het feit dat veel van die teksten op verschillende manieren door verschillende partijen geïnterpreteerd kunnen worden. Eén van de redenen voor die verschillende interpretatie is het verschijnsel “syntactische ambiguïteit” (ook wel amfibolie). Syntactische ambiguïteit ontstaat wanneer een bepaalde reeks woorden kan worden opgevat als twee verschillende grammaticale structuren, elk geassocieerd met een andere betekenis.

Een zaak in Illinois (Regency Commercial Assocs., LLC v. Lopax, Inc., 2007 Ill.) is een goed voorbeeld van hoe zo’n syntactische ambiguïteit een mooie puinhoop kan maken van een contractuele relatie. Regency verkocht land aan Lopax om daar een Kentucky Fried Chicken-restaurant neer te zetten. Vervolgens wilde Regency een ander perceel grond in de buurt verhuren aan Pictor, een bedrijf dat van plan was een restaurant “Buffalo Wild Wings” te openen. (Buffalo Wings, overigens, zijn gebakken kippenvleugels met een hete saus. Klik hier als je dat superlekker lijkt…)

Lopax vreesde dat te veel KFC-klanten ook wel eens die Buffalo Wild Wings-lekkernij wilden proberen en diende een klacht in op basis van het contract waarmee zij de grond kochten. De rechtbank oordeelde dat de beperking betrekking had op fastfoodrestaurants die
voornamelijk kip serveren en oordeelde ook dat verder onderzoek nodig was om te bepalen of Buffalo Wild Wings een fastfoodrestaurant was of niet. Na een hoorzitting oordeelde de rechtbank dat Buffalo Wild Wings géén fastfoodrestaurant was en dus niet onder het beperkende convenant viel. Lopax ging in beroep, maar het hof bevestigde de eerdere uitspraak.

Het contract zegt: Seller will not after the date of this agreement sell, lease or permit to be occupied any real estate which Seller owns, manages or otherwise controls within one mile of the Land for the purpose of constructing, or having conducted thereon, any fast food [(quick service restaurant)] restaurant or restaurant facility whose principal food product is chicken on the bone, boneless chicken or chicken sandwiches.

En hier komt die syntactische ambiguïteit om de hoek kijken: de bepaling is dubbelzinnig, in die zin dat het niet duidelijk is of fast food alleen restaurant wijzigt of anders zowel restaurant áls restaurant facility. Syntactische ambiguïteit komt vaak voort uit de volgorde waarin woorden verschijnen en hoe ze zich tot elkaar verhouden.

Vanwege deze dubbelzinnigheid hadden Regency en Lopax een verschillende interpretatie van deze bepaling. Regency voerde aan dat de bedoeling van het contract was om andere fastfoodactiviteiten in de buurt die voornamelijk kip serveren, te verbieden, en dat, omdat het Buffalo Wild Wings-restaurant geen fastfoodrestaurant was, het niet in strijd was met die beperkende bepaling. Lopax daarentegen voerde aan dat alleen al het feit dat het
belangrijkste voedingsproduct van het Buffalo Wild Wings-restaurant kip was, genoeg was om die beperkende bepaling in het contract te schenden.

Het ironische is dat beide partijen genoeg mogelijkheden hadden om hun contract vóór ondertekening te modificeren. Om met Lopax te beginnen: Lopax zou vóór restaurant
facility
makkelijk het woordje any hebben kunnen toevoegen. En het standpunt van Lopax dat de bepaling in feite luidt any fast-food restaurant and any restaurant of any sort roept de vraag op waarom men überhaupt de moeite zou nemen om naar fastfoodrestaurants te verwijzen, aangezien die gewoon zouden vallen onder de meer algemene verwijzing naar restaurants. Aan de andere kant: om de interpretatie van Regency te laten werken, kunnen restaurant en restaurant facility geen synoniemen zijn. Regency voerde aan dat restaurant een op zichzelf staande faciliteit betekent, terwijl restaurant facility iets betekent dat je aantreft in een food court met meerdere verkooppunten, ingebed in een winkel, of anders niet een op zichzelf staande faciliteit. Het Hof van Illinois aanvaardde dat onderscheid.

Vermoedelijk hadden beide partijen er daarna genoeg van, maar je zou ook nog eens
kunnen argumenteren dat de laatste bepaling (ofwel: whose principal food product is chicken on the bone, boneless chicken or chicken sandwiches) eventueel mogelijkheden biedt tot nóg eens minstens vier verschillende interpretaties…

Syntactische ambiguïteit is een beetje als die tekeningen waarin je het gezicht van een zowel een jonge áls een oude vrouw kan zien, maar nooit tegelijk  (ook wel “kantelfiguur” genoemd). Het is dan vaak een kwestie van maar een paar dunne lijntjes extra toevoegen, en het is kristalhelder.