All posts by Peter Peek

Clarity (7)

U zal ‘m in uw juridische schrijfactiviteiten niet overdreven vaak gebruiken: het uitroepteken. Maar het Britse Ministerie van Onderwijs gaat wel heel erg ver met het uitbannen van de exclamation mark (of exclamation point in het Amerikaans-Engels). De nieuwste richtlijn betreffende English grammar, punctuation and spelling stelt dat a sentence that ends in an exclamation mark, but which does not have one of the grammatical patterns shown above, is not considered to be creditworthy as an exclamation (e.g. exclamatory statements, exclamatory imperatives, exclamatory interrogatives or interjections). Alleen zinnen die beginnen met What of How zouden moeten kunnen eindigen met een uitroepteken. Met als voorbeelden What a lovely day! of How exciting! (lees de richtlijnen hier, Punt 4.4.2).

Nu is het uitroepteken (zeker in de Angelsaksische wereld) nooit erg populair geweest: Cut out all these exclamation points…An exclamation point is like laughing at your own joke, zou F. Scott Fitzgerald hebben geschreven (en Martin Amis noemt het arme uitroepteken een joke badge). En pas rond 1970 verscheen het uitroepteken als standaardtoets op typmachines (vóór die tijd: eerst de accenttoets indrukken, dan een spatie terug en een punt typen). Maar de verbanning van het leesteken zoals het Ministerie van Onderwijs voorstaat, gaat veel Britten te ver. “Nonsense! ”, schrijft The Telegraph ,“What a pointless nimrod the education secretary is!” in The Guardian, daarbij goed de nieuwe regel met What in de gaten houdend. The Sunday Times doet het expres zonder die regel en volstaat met een “Cripes! No exclamation allowed!”.

Het is te hopen dat het plaatsje Westword Ho! in het zuidwesten van Engeland weinig
scholen heeft, anders zullen veel leerlingen daar voor hun examens zakken. Westward Ho! (genoemd naar een roman van Charles Kingley uit 1855) is de enige plaats in Engeland met een uitroepteken. Verder heb je nog Hammilton! in Ohio , Saint-Louis-du-Ha!Ha! in
Quebec, Canada en probeert het Tsjechische Ostrava al bijna 10 jaar om zich officieel om te dopen tot Ostrava!!! We houden u op de hoogte van de vorderingen op dit gebied.

Een algemeen aanvaarde theorie over de oorsprong van het uitroepteken is dat middeleeuwse kopiisten sommige zinnen met het Latijnse woord ”io” (vreugde of hoera) beëindigden als lofuiting of bewondering. De o werd wat kleiner en eindigde tenslotte onder de i die zijn uiteindelijk z’n puntje verloor.

Eigenlijk zijn schrijvers helemaal niet zo gek op tekens in teksten. Alsof het alfabet heilig is, en alle toevoegingen in de vorm van leestekens (en/of emoticons) een vorm van heiligschennis zijn. Er is bijvoorbeeld al vaak geprobeerd een ironieteken in te voeren, maar dat is altijd tegengehouden door mensen die menen dat ironie pertinent niet moet worden aangegeven omdat het wezen van ironie nu juist is dat de lezer even moet nadenken of de schrijver iets meent of juist niet. Ironisch is dan wel weer dat in Engelse teksten een uitroepteken tussen haakjes (!) vaak gezien wordt als een ironieteken. De
interrobang (een combinatie van het uitroepteken en het vraagteken): ‽ om een uitroepende vraag aan te geven, heeft het ook nooit echt gehaald.

En datzelfde kan je van uitroeptekens zeggen: in bijna alle schrijfgidsen staat dat het gebruik daarvan in formele, juridische, journalistieke stukken en bijv. wets- en beleidsteksten vermeden moet worden als de pest. Té nadrukkelijk, té persoonlijk, té emotioneel etc. En die (enige) mogelijkheid toch een beetje emotie in een tekst aan te brengen laten de Britten zich niet afnemen. Vandaar de emotionele reacties in de Britse pers. Precies waar het uitroepteken goed van pas komt…

PS:
Ook die … waarmee ik afsloot is een “officieel” leesteken: het beletselteken, in het Engels: ellipsis.

Clarity (6)

In februari 2016 stierf één van de negen rechters van het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten: Justice Antonin Scalia, de door Ronald Reagan benoemde, uiterst
conservatieve Republikein. Voorstander van de doodstraf, fel tegenstander van het homo-huwelijk en noem al die dingen maar op waar wij Nederlanders meewarig ons hoofd over schudden. (lees hier verder of voor een uitstekende necrologie in de Amerikaanse pers: hier). Wat de Nederlandse pers niet vermeld, is dat Scalia binnen de Supreme Court één van de grootste voorstanders was van het zgn. Textualism (of ook: Originalism): de “letter van de wet” moet worden gevolgd, en niet de “geest van de wet”. (Lees hier meer over Scalia en Textualism).

Dat rotsvaste geloof in de “letter van de wet” bracht hem echter regelmatig in een intellectuele spagaat waardoor hij zich op gegeven momenten ferm in het kamp van zijn Democratische tegenstanders bevond. Zijn overlijden heeft er bijvoorbeeld misschien voor gezorgd dat Avondale Lockhart het komende decennium achter slot en grendel doorbrengt voor het in bezit hebben van kinderporno.

Wat is het geval? Een federale wet bepaalt dat iedereen die betrapt wordt op het in bezit hebben van kinderporno, een minimumstraf krijgt van 10 jaar áls hij eerder veroordeeld is geweest voor aggravated sexual abuse, sexual abuse, or abusive sexual conduct involving a minor or ward. De aanklagers ontdekten dat meneer Lockhart 8 jaar daarvoor al eens was veroordeeld voor een poging tot verkrachting van zijn (volwassen) vriendin. Lagere rechtbanken waren verdeeld over de cruciale vraag of het zinsdeel involving a minor or ward van toepassing is op alléén het laatste onderdeel (abusive sexual conduct) of op alledrie de
onderdelen. De meer lankmoedige interpretatie ziet involving a minor or ward als een beperkende bijzin die de minimumstraf van 10 jaar alleen stelt voor veroordeelden die minderjarigen seksueel hebben misbruikt. De strikte interpretatie ziet dat zinsdeel als een bepaling over seksueel misbruik per sé. In dat laatste geval zou de minimumstraf óók gelden voor bezitters van kinderporno die in het verleden volwassenen seksueel hebben misbruikt (zoals Lockhart).

In het Supreme Court dreigde even een juridisch gevecht los te barsten over grammatica en al dan niet ontbreken van een komma tussen conduct en involving (wat Lockhart heel wat jaren in de gevangenis zou schelen). Scalia en een aantal van zijn Democratische tegenstanders (waaronder Justice Elena Kegan) vonden dat de wet gelezen hoort te worden als aggravated sexual abuse involving a minor or ward, sexual abuse involving a minor or ward, or abusive sexual conduct involving a minor or ward. Kegan ging zover als een ander voorbeeld te geven: “Imagine a friend told you that she hoped to meet ‘an actor, director, or producer involved with the new Star Wars movie.You would know immediately that she wanted to meet an actor from the Star Wars cast—not an actor in, for example, the latest Zoolander”.

Scalia, normaalgesproken een sterk aanhanger van wat “de wet schrijft” was van oordeel dat juist in deze gevallen de Rule of Lenity toegepast moest worden, een juridische
doctrine die stelt dat onduidelijkheden en ambiguïteit in het strafrecht uitgelegd dienen te worden ten faveure van de aangeklaagde (lees hier). Als de wetgever wil dat iemand
gestraft wordt, is het ook aan de wetgever om met totaal helder en totaal duidelijk
taalgebruik
te beschrijven waarvoor de wetgever iemand wil straffen, was zijn onwrikbare standpunt. Iets dat in de zaak Lockhart vs. United States in zijn ogen duidelijk niet het geval was.

Toen afgelopen november deze zaak voor het Supreme Court werd besproken, leek alles in de richting van Kegan/Scalia c.s. te gaan. Op 1 maart van dit jaar echter, 2 weken na de dood van Scalia, werd met 6-2 in het nadeel van Lockhart besloten (lees hier het finale arrest van de Supreme Court)..

In oktober hadden we het hier over Death by Comma, een zaak uit 1916 (lees hier nog eens) 100 jaar later is een komma nog steeds van doorslaggevend juridische belang…

What’s in a language? (17)

Immigranten, of zo u wilt: ‘vluchtelingen’…, waar ze ook vandaan komen, ze hebben over het algemeen één ding gemeen: ze spreken de taal niet. En iedereen is het erover eens dat het spreken van de taal een allereerste vereiste is om ergens “in te burgeren”, “zich thuis te voelen”, “deel van de samenleving” te zijn, en welke welgemeende excuses er al niet bestaan.

Nu ken ik persoonlijk heel wat Britten, Amerikanen, Fransen, Italianen en een enkele Spanjaard die al jaren in Nederland wonen en die in al die jaren, behoudens een enkele half-
slachtige poging, geen enkel woord Nederlands hebben leren spreken en die het hier toch reuze naar hun zin hebben. “Ja, expats”, zult u zeggen, “dat is wat anders. Die hebben al een baan”. Voor een groot gedeelte klopt dat (nog even afgezien van hun echtgenotes en/of echtgenoten), maar dat doet niets af van het feit dat ze geen woord Nederlands spreken en tóch een deel van de samenleving zijn (ze betalen bijv. gewoon belastingen…). Waarmee ik alleen maar wil zeggen dat economische omstandigheden óók een grote rol spelen. (Zou de weerstand tegen Syrische vluchtelingen ook bestaan als iedere Syriër een miljoen of wat euro mee zou nemen? Maar dit terzijde). Sterker nog: als je € 1.250.000,- meeneemt, hoef je helemaal niet in te burgeren (zie deze pagina van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Wél nog even op tuberculose laten testen. Écht waar!).

Onlangs lanceerde David Cameron een plan om £ 20 miljoen te steken in een project om de taalachterstand bij immigranten te bestrijden (lees hier het artikel in The Guardian). Hij deed dit in de context van het terugdringen van de radicalisering binnen de Britse moslimgemeenschap. Volgens hem spreken 190.000 moslimvrouwen in Engeland weinig tot geen Engels wat ervoor zorgt dat deze vrouwen geen volledig lid van de samenleving zijn en dus geen deel hebben aan de waarden en normen van de Britse maatschappij.

Hoera!!! Zou je kunnen zeggen (nog even afgezien van het feit dat de Britse regering de afgelopen jaren juist £ 160 miljoen had bezuinigd op deze taalachterstandswegwerk-
politiek), maar de Britse adder onder het gras zat hem in het feit dat er na 2½ jaar een taaltest zou moeten volgen en dat mensen die zakken dan teruggestuurd zouden worden naar het Land van Herkomst. Lees hier verder.

Oh, oh oh…. Taaltesten met een politiek doel… Alsof dat soort testen ervoor gaat zorgen dat mensen beter integreren in de samenleving en dat een betere integratie derhalve radicalisering stopt. De Britse The Indepent wist de hand te leggen op deze test (klik hier voor een deel van deze test: hier), en ontdek of u in Engeland zou mogen blijven. En nadat u deze test heeft gedaan: lees de opmerkingen van (vooral) native speakers eronder. Need I say more? En verder, als ik een Nederlandse IS-strijder op tv zie of hoor, valt het mij altijd op dat deze man zich perfect in het Nederlands uit kan drukken en hoogstwaarschijnlijk voor welke taaltest dan ook zal slagen.

Precies dezelfde parallellen zijn te trekken als Nederlanders (waaronder Nederlandse juristen) zich van een andere taal (laten we even zeggen: Engels) bedienen: ‘kennis’ van taal is één ding. ‘Economische omstandigheden’ is een ander ding. De ‘context’ waarin een taal wordt gebruikt: weer een ander ding. ‘Sociale klasse’, ‘onderwijs’, ‘hiërarchische
verhoudingen’ (bijv. opdrachtgever-opdrachtnemer), ‘culturele eigenaardigheden’,
‘persoonlijke karaktereigenschappen (sympathiek? argwanend? openminded?
afwachtend? etc etc.), ‘gender’, ‘ras’, ‘geschiedenis’, ‘regionale verschillen’ en ga zo maar een blog of 8,9 verder… In het licht van menselijke communicatie allemaal net zo
belangrijk als een taal wel of niet (en als wel: goed of fout) spreken.

Kortom, het is een beetje overmoedig om te denken dat een grotere ‘kennis’ van een taal allerlei (vooral sociaal-economische) misstanden uit de weg ruimt. Het helpt misschien een beetje, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Ook zonder die kennis, schaffen wir es!

Mediation (3)

In my last blog I discussed the importance of good communication skills in mediation,
emphasising language proficiency (click here). However, language proficiency is only one aspect of good communication – albeit an important one – and any deficiencies in this area can be ameliorated by:

  • a good opening statement
  • awareness of the possibility for linguistic and cultural misunderstanding and
  • the use of the mediator’s “skill-kit” LARSQ (Australian acronym for: Listening;
    Acknowledging; Reframing; Summarising; Questioning (I myself would add
    Paraphrasing, as I do not agree that summarising is the same as paraphrasing) or more generally referred to as active listening.

These are all skills that can be learnt and improved through practice.

A good opening statement
The purpose of a mediator’s opening statement is well known: it allows the mediator to
explain the mediation process; lays down the ground-rules for the mediation; deals with logistics etc. It is also an opportunity for the mediator to introduce himself to the parties, establish trust and raise any issues that may be important in the mediation. For an
extensive and thorough opening statement (which unfortunately excludes a discussion about language) click here.

Awareness of the possibility for linguistic and cultural misunderstanding
In international mediations a discussion on language is useful. It allows the mediator to
assure the parties that he will seek clarification and verification of what is being said thereby ensuring that misunderstandings are kept to a minimum.

Active listening
Active listening is a structured way of listening and responding to others. Focus and
concentration are needed to fully and accurately understand what is being said. Listening with attention and respect shows that what a person is saying is important. It is an
effective technique for a mediator to develop rapport, extract narratives and explore the underlying interests of the parties. FBI negotiator Chris Voss refers to active listening as “deep listening”. For a very insightful interview with Chris Voss on the importance of active listening and open ended questions for successful negotiations, click here.

Active listening involves, among other things, reflecting back what is being said
(summarising and paraphrasing) and also changing the thinking of the parties by
reframing a dispute in such a manner that it enables the parties to move to a position where negotiation is possible. So what is the difference between paraphrasing and
reframing? Look at the following statements:

  • Party A:     “ You’re just trying to get rid of me!”
  • Mediator: “You think he’s going to fire you?” or “You think he wishes to terminate your employment?”
  • Mediator: “Your job is important to you?”

The last statement is the reframe. It moves the discussion from the negative and fearful
assumption of one party to a discussion of the job and why it is important, paving the way for a new discussion about the job and how that relates to the dispute. The second
sentences paraphrase what is said in the first sentence.

Reframing is a difficult, but in mediation terms, very important skill to master. I think
Albert Einstein hit it on the head when he said: ‘You can’t solve a problem with the same kind of thinking that created it.”

What’s in a word? (17)

I wanna call my lawyer, hoor je vaak zeggen in Amerikaanse films en Engelse KRO-
detectives. En in de ondertiteling staat dan ‘advocaat’ voor lawyer. Strikt genomen is dit niet écht het goede woord. Tot misverstanden zal het niet leiden, want ook in het Verenigd Koninkrijk en in de Verenigde Staten hebben mensen het over hun lawyer als ze de
persoon bedoelen die hen bij moet staan in een gerechtelijke procedure. Maar als je als Nederlandse advocaat lawyer op de Engelstalige versie van je visitekaartje zet, doe je jezelf toch tekort.

Een lawyer is een jurist (ofwel iemand met een juridische opleiding), en dit woord is dus niet de juiste aanduiding voor een advocaat. Het Engelse woord advocate is alleen in Schotland (zie onder) een goede vertaling voor de Nederlandse ‘advocaat’. Buiten Schotland is een advocate strikt genomen iemand die een bepaalde zaak bepleit namens
iemand anders, maar niet noodzakelijkerwijs een zaak met een juridische inhoud; een Greenpeace advocate is niet de huisadvocaat van Greenpeace. In engere zin wordt
advocate ook gebruikt voor ‘pleiter’ in een court of law, dat wil zeggen voor de barrister in Engeland en de attorney-at-law in de Verenigde Staten. Alleen in Schotland, met zijn hybride systeem van civil law en common law, is een advocate wél weer één-op-één te vergelijken met onze advocaat. Daar kennen ze geen barristers en solicitors zoals in Engeland en Wales. (Een mooier voorbeeld van onze stelling in een vorige blog –hier te lezen– dat “Taal (en niet alleen woorden maar ook grammatica, syntax, uitspraak enz.) juist ontstaat uit (culturele) omstandigheden” bestaat er bijna niet… zelfs binnen in één taal, Engels, hoeft een advocate geen advocate te zijn).

Wat zijn nu precies barristers, solicitors en attorneys-at-law?

Solicitors en barristers zijn gespecialiseerde juristen in het Engelse rechtssysteem. Een
solicitor houdt zich niet alleen bezig met het adviseren van cliënten en het opstellen van en onderhandelen over contracten, maar ook met het executeren van testamenten en
bijvoorbeeld leveringsaktes. Hij mag ook cliënten bijstaan in de magistrates’ courts, de lekenrechtbanken (lees hier meer over de magistrates’ courts). Een solicitor mag echter niét pleiten in een court of law (met een paar uitzonderingen). De enige namelijk die mag pleiten in een court of law is de barrister, dat wil zeggen een jurist die is toegelaten tot de Bar, enigszins te vergelijken met onze Orde van Advocaten. In Engeland is het dus vaak zo dat een solicitor de zaak voorbereidt en overdraagt aan een barrister wanneer de zaak onder de rechter komt. De solicitor is wél vaak aanwezig in de rechtszaal, hij is tenslotte de adviseur van zijn cliënt, maar hij moet wel zijn mond houden: de barrister bepleit de zaak. (Trouwens, een consequentie van de regel dat alleen een barrister mag pleiten in een court of law is dat ook het OM zich moet laten vertegenwoordigen door een barrister wanneer een zaak voorkomt).

Barristers zijn allemaal lid van een van de vier Inns of Court. In deze in Londen gehuisveste bolwerken zijn de barristers geheel en al autonoom. Ze vormen een instituut dat al sinds de 13e eeuw het monopoly heeft op de right of audience en de advocacy in de courts of law. De Inns of Court gaan over hun eigen opleiding tot barrister: een barrister wordt dus niet aan een universiteit opgeleid maar aan één van deze Inns of Court.

In de Verenigde Staten wordt de term attorney als synoniem gebruikt voor lawyer waar het om een praktiserende jurist gaat. De term attorney-at-law is de aanduiding voor een
attorney die is toegelaten tot de Bar in één van de Staten.

En wat is dan de beste vertaling voor het ‘advocaat’ zoals we die in Nederland kennen? Dat is lastig, maar bij gebrek aan beter houd ik het op het Amerikaanse woord attorney-at-law. Tussen een barrister en een solicitor is er een specifieke taakverdeling, die we in Nederland ook wel kennen, maar dan op een ander gebied: de taakverdeling tussen een advocaat en een notaris.

Hoe zit het dan met de notaris en de Anglo-Amerikaanse notary public? Een notaris en een notary zijn zeker niet hetzelfde, ook al doet het woord geloven dat dat wel zo is. Een notary public is iemand (al dan niet een jurist) die documenten en handtekeningen legaliseert. In Engeland en Wales vervult de solicitor vaak deze functie, in de Verenigde Staten kán het de attorney zijn, of bijvoorbeeld een makelaar die daartoe gemachtigd is. De Nederlandse
notaris dient in het Engels met de term civil-law notary te worden aangeduid: dat wil zeggen een notaris met een specifieke functie in het civil-law-systeem.

Kortom, een judge is geen rechter (lees nog eens hier), de advocate is geen advocaat (tenzij je in Schotland bent), de notary is geen notaris, de solicitor is geen barrister en ook al geen advocaat en de attorney-at-law is misschien wel advocaat en notaris tegelijk. Wie had het over spraakverwarring?

What’s in a word (16)

Rechter is ‘judge’, maar is ‘judge’ ook rechter? Andere rechtssystemen geven woorden een andere lading. Over (Nederlandse) advocaten en de notarissen en hun (Anglo-Amerikaanse) tegenhangers: de barristers, de solicitors en de notaries public zullen we het volgende week op deze plek nog wel eens hebben, maar wat is een ‘rechter’, of een ‘kantonrechter, in het Engels?

De rechter
Het Anglo-Amerikaanse rechtssysteem kent lekenrechtspraak. Wanneer je naar het
Engelse systeem kijkt (en dat van Wales, maar weer niet dat van Schotland – dus laten we het simpel houden en alleen Engeland noemen) dan zie je dat zo’n 90% van de strafzaken en een groot gedeelte van de civielrechtelijke zaken, zoals familiezaken en belastingzaken, veelal beginnen en eindigen in een magistrates’ court en niet in een court of law.

In de meeste magistrates’ courts zijn de magistrates (ook wel justices of the peace genaamd) leken die met z’n drieën de rechtbank vormen – zonder toga en zonder pruik. Deze magistrates worden benoemd en hebben géén juridische achtergrond; magistrate zijn is een soort erebaantje. De magistrates gaan over de feiten en worden door een jurist bijgestaan: de clerk, die wel een juridische achtergrond heeft en dus over het recht gaat. (Overigens, als u een kijkje wilt nemen in wat een magistrate doet, en zélf eens
magistrate/rechter wil spelen, bezoek dan eens deze site, er staan ook afleveringen op die zich afspelen in een court of law. Oók goed voor uw Engels…).

Alleen in de grotere steden in Engeland treedt er een professionele rechter op in een
magistrates’ court’: de district judge. Deze magistrates’ courts hebben een enkelvoudige kamer, een single judge (een judge, dus wél een jurist). Deze ‘echte’ rechter behandelt de meer complexe zaken die aan een magistrates’ court worden voorgelegd. In de
magistrates’ court zie je geen robes of black silk gowns en wigs, de magistrates verschijnen in dagelijks tenue.

Solicitors zijn welkom in magistrates’ courts en mogen daar ook pleiten, maar dan wel zonder toga en pruik. Toga en pruik mogen alleen in een ‘echte’ rechtbank worden gedragen, in een court of law. Daar verschijnen rechters en barristers al honderden jaren in min of meer dezelfde outfit, hoewel die laatste decennia wel versimpeld is en zelfs pruiken soms in de doos blijven.

In deze ‘echte’ rechtbanken (courts of law) mogen solicitors tegenwoordig soms optreden, maar dan alleen in de county courts (in hiërarchie net boven de magistrates’ courts). De barristers hebben right of audience in alle courts of law maar in een magistrates’ court zal je ze echter niet tegenkomen omdat een sollicitor daar zelf mag optreden en er geen barrister hoeft te worden ingehuurd.

Om een idee te geven van de aantallen magistrates in de lekenrechtspraak: er zijn in Engeland en Wales zo’n 23.000 magistrates en zo’n 330 magistrates’ courts. Voor de meer bijzondere zaken in de grote steden zijn zo’n 140 district judges beschikbaar. In totaal zijn er zo’n 3.500 rechters in Engeland. (Bron: Courts and Tribunals Judiciary van het Engelse Ministerie van Justitie. Voor de liefhebber: klik hier).

Je ziet hier en daar dat magistrate wordt vertaald door ‘kantonrechter’ (en andersom). Niet handig dus, want een magistrate ís geen rechter en zelfs geen jurist. De enige juiste vertaling voor rechter is dus judge, of het nu een rechter bij de Rechtbank, bij de sectie kanton, bij het Hof of bij de Hoge Raad is. In Nederland kennen we immers geen lekenrechtspraak. En zoals het onmogelijk is om ‘ontbinden’ in het Engels te vertalen, is het
onmogelijk om een Nederlands woord voor magistrate te vinden…

PS:
Nog even een enkel woord over de jury. Wanneer ik deelnemers aan onze training vraag naar het verschil tussen common law en civil law, krijg ik steevast het antwoord: de jury. Dit is een hardnekkig misverstand, immers in civil law landen als België en Frankrijk kennen ze ook juryrechtspraak. In de Verenigde Staten kunnen er jury’s zijn bij zowel strafrechtelijke zaken als privaatrechtelijke zaken. In Engeland eigenlijk alleen nog maar in strafzaken en alleen maar in een court of law, niet in een magistrates’ court. De uitspraak van de jury (guilty or not guilty) heet: verdict, niet te verwarren dus met het vonnis van de rechter: een judgment (of judgement met een -e- ertussen? Binnenkort meer hierover).

What’s in a language? (16)

Er is geen land ter wereld waar mensen zich zo bezighouden met hoe landgenoten Engels spreken dan Nederland. Het begint zelfs in Nederland wonende Engelssprekenden op te vallen… Nu is het Engels van Louis van Gaal de afgelopen 1½ jaar al de running gag, maar de afgelopen week weer twee voorbeelden: Regilio Tuur die weigert Nederlands te spreken in een praatprogramma (kijk hier) en de vraag hoe het staat met het Engels van Khadija Arib: “ergens tussen Louis van Gaal en Frans Timmermans” was haar antwoord (lees hier). Beetje flauw overigens dat diezelfde vraag niet ook werd gesteld aan de andere drie
kandidaten, maar goed…

Kan dat misschien eens een keertje uit zijn? Ten eerste kan je zeggen wat je wil over Louis van Gaal (of over zijn Engelse taalbeheersing), de beste man is in ieder geval niet bang om te communiceren, en ja, dan maak je fouten; alles beter dan stommetje te spelen omdat je niks durft te zeggen. En verder ben ik van mening dat heel veel Nederlanders voortdurend dezelfde fouten maken, alleen komt dat niet op televisie. Ten tweede kan je zeggen wat je wil over Regilio Tuur, maar als hij het fijner vindt om zich (overigens uiterst correct) uit te drukken in een taal waar hij al jaren door omgeven wordt, moet hij dat weten. Om hem dan “arrogantie” te verwijten of om te eisen dat hij dan ook maar zijn paspoort moet
inleveren, gaat misschien wat ver. En ten derde kan je zeggen wat je wil over Frans Timmermans (vaak dan weer een beetje jaloerserig), maar als we zijn Britse accent naar het Nederlands zouden ‘vertalen’, zou hij telkens vreselijk worden uitgelachen om zijn
“geaffecteerde”, “aanstellerige”, “bekakte”, “hautaine”, “Leidse”, “pedante” en/of “overdreven” stemgeluid.

Maar ten vierde, en het allerbelangrijkste: het maakt de Engelsen/Amerikanen etc. geen ene iota uit… Ik durf hier zelfs te beweren dat ze dat niet eens hóren! Engelstaligen gaan ervanuit dat iedereen een accent heeft. Dat kan zijn omdat landen als Australië, Canada en de Verenigde Staten “traditionele immigratielanden” zijn, of dat Engeland te maken had/heeft met grote groepen British Empire-inwoners, maar het komt voornamelijk omdat de hele wereld Engels spreekt; Engels is eigenlijk overal de gemeenschappelijke taal, en dat komt mooi uit… die accenten nemen ze dan wel op de koop toe.

Nederlanders vinden het daarentegen maar raar, al die accenten. Zelfs als iemand op de Nederlandse televisie ook maar een greintje (Nederlands!) streekaccent laat horen, vinden we het een goed idee om het dan maar gelijk te ondertitelen. Iets wat bijv. de BBC nooit van z’n leven zal doen, hoewel veel Engelse streekaccenten voor veel (Engelse) kijkers volkomen onbegrijpelijk moeten zijn. Zou dat ook de reden zijn waarom speciaal Arib gevraagd werd naar haar beheersing van het Engels? “Zo’n Marokkaanse, die spreekt vast geen Engels…”, of iets in die richting (zie verder ook onze blog over ‘discursieve context’! (Hier nog eens te lezen).

Natuurlijk maakt de Engelstalige wereld wel grappen over accenten die afwijken van RP (received pronunciation), en de manier waarop Pakistani, Italianen, Russen en ook Nederlanders het Engels uitspreken (à propos Nederlanders: het verschil in uitspraak tussen bed/bad of food/foot). Maar ze zullen nooit (of dan in ieder geval: zelden) denigrerend zijn over uitspraak. Het is vaak een middel om iemand snel ergens (sociaal-economisch, klasse, afkomst etc.) te plaatsen. Dat kán ook, omdat Engelsen veel makkelijker, sneller en secuurder accenten herkennen, terwijl de meeste Nederlanders het verschil tussen een Zeeuws en een Gronings accent niet eens weten te leggen… Het is in ieder geval géén uitvloeisel van de een of andere vorm van politieke correctheid, maar gewoon: a fact of life.

Nederland… waar een klein land klein in kan blijven.

What’s in a word? (15)

logoVorige week besloten we met de constatering (of misschien wel: verzuchting) dat “Een andere cultuur woorden een andere betekenis geeft”. Vandaag een voorbeeld wat we daarmee bedoelen binnen de rechtscultuur.

Altijd weer een aanleiding voor verwarring: het gebruik van het Engelse woord termination wanneer het gaat om het beëindigen van een contract naar Nederlands recht. Het is maar net hoe de ander het woord interpreteert. Twee van mijn masterstudenten gaven een
presentatie in het Engels, Het ging erom dat dat een leverancier van biologische grondstoffen een overeenkomst zonder duidelijke reden had terminated. De vraag van de klant, een producent van biologische voedingsmiddelen, aan zijn advocaat was of dat zo maar kon, al helemaal omdat die producent nu zijn verplichtingen naar zijn klanten niet meer kon nakomen.

In de overeenkomst tussen de leverancier en de producent was niets bepaald over
termination. De beide studenten hadden grondig jurisprudentie onderzoek gedaan. Zelfs bepalingen uit het Europese Burgerlijk Wetboek, die als soft law gelden, waren uit de kast getrokken. Tijdens hun presentatie zat ik me alsmaar af te vragen waarom de producent niet gewoon nakoming vorderde nu de leverancier blijkbaar de overeenkomst had
ontbonden (terminated) zonder dat er sprake was van een tekortkoming. De verwarring was groot, zeker toen de studenten bleven volhouden dat de producent geen nakoming kón vorderen in de casus die zij net hadden gepresenteerd. Op hun verzoek gingen we over op het Nederlands: de leverancier bleek de overeenkomst te hebben opgezegd
(terminated) in hun bewoordingen). Toen pas viel het kwartje!

Het blijft lastig, een Engels woord vinden voor ‘ontbinden’ dat tegelijkertijd duidelijk maakt dat het niet om ‘opzeggen’ gaat. In het Anglo-Amerikaanse recht is er namelijk geen juridische figuur vergelijkbaar met het Nederlandsrechtelijke ‘ontbinden’. De woorden
rescind en repudiate zijn niet juist zijn als vertaling voor ‘ontbinden’ (daar hebben we het al eerder over gehad: lees hier), en toen zei ik dat je dan maar het best terminate kan gebruiken met daarachter (tussen haakjes) de Nederlandse term. Echter, ook terminate is maar een lapmiddel, zoals het onderstaande voorbeeld laat zien. De opsteller of vertaler van het contract heeft in ieder geval wel aangegeven wat de bedoeling is. Of de niet-Nederlandssprekende wederpartij die niet in Nederlands recht is onderlegd, daar verder wat aan heeft, is een ander verhaal…… (mijn cursivering):

Termination of Agreement

  • 8.1 Without prejudice to any of its other rights and obligations and notwithstanding the consequence of final acceptance of a phase as mentioned in article 2.6, either Party may at its option terminate (“ontbinden”) this Agreement with immediate effect by notifying the other Party in writing if the other Party commits a material breach and, in the case of a breach capable of remedy, fails to remedy it within a
    period of sixty (60) days or such other reasonable period as mutually agreed between the Parties. For the purpose of this clause, repeated non-material breaches shall be considered as a material breach capable of remedy.
  • 8.2. Without prejudice to any of its other rights and obligations, Company may at its option terminate (“opzeggen”) this Agreement with immediate effect by notifying Contractor in writing if it has a well founded and reasonable expectation that,
    following a claim to that end, the court will rescind the Agreement based on the Dutch Act regarding the Implementation of the Public Procurement Remedies Directives (‘Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden’).

 Een andere cultuur (in dit geval: een andere rechtscultuur) geeft woorden inderdaad een andere betekenis… zelf zo zeer dat er soms gewoon geen vertaling voor bestaat…

What’s in a language? (15)

Branch Out en medewerkers willen alle lezers van deze blog (inmiddels zo’n 1.300) allereerst natuurlijk een uiterst voorspoedig 2016 wensen! Ook dit jaar zullen wij ons best doen om diverse ontwikkelingen en eigenaardigheden op het gebied van Engels (en dan met name op het gebied van Legal English) onder de aandacht te brengen. Als er verder speciale (grammaticale) vragen zijn, als u zich regelmatig afvraagt hoe je het een en ander “eigenlijk in het Engels” schrijft, of als er andere dingen zijn waar wij eens aandacht aan zouden moeten besteden: laat het ons gerust weten.

De laatste maand van het jaar ontaardt altijd in de gebruikelijke flauwekullijstjes van “nieuwe” woorden en de bekendmaking van “Het Woord van het Jaar” (voor de mensen die het hebben gemist: “sjoemelsoftware” in het Nederlands (klik hier) en in het Engels: emoji voor Brits-Engels (klik hier), aldus de Oxford Dictionary, en het achtervoegsel –ism voor Amerikaans-Engels (klik hier), aldus de Merriam Webster Dictionary (daar hebben we het dus weer… wélk Engels?).

Aan het begin van die maand echter, was een veel belangrijkere taalontwikkeling in het nieuws. Ik bedoel de pogingen van diverse musea (waaronder het Rijksmuseum, het Tropenmuseum, het Afrikamuseum) om beschrijvingen van de in hun bezit zijnde (kunst)werken “waardevrij” te maken. (Voor de mensen die dát gemist hebben: klik hier). Woorden als “neger”, “eskimo”, “mongooltje”, “indiaan”, “hottentot”, etc. zouden niet alleen verbannen moeten worden van de bordjes die naast deze werken hangen, maar ook in de catalogusbeschrijvingen; “negerinnetje” wordt “Surinaams meisje”, dat soort werk.

Dit alles is natuurlijk volkomen logisch: in 2016 spreekt niemand met meer dan vijf hersencellen nog over “negers” of “mongooltjes”, dus waarom zouden die woorden dan wel in musea blijven bestaan? Daarnaast zijn die musea al jaren bezig met dit werk (zie bijv. Spreken we dezelfde taal? van Alex van Stipriaan, hoogleraar Caraïbische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit uit 2011). Veelzeggender echter is de vraag waarom dit juist nú zo in de publiciteit gebracht moet worden?

Ongetwijfeld is dit gebeurd onder invloed van buitenlandse (lees: Amerikaanse) ontwikkelingen. Het Rijksmuseum zélf zegt dat “met name Amerikaanse bezoekers” aanstoot
namen aan de tekstbordjes. Dit past vrijwel naadloos in de zwartepietendiscussie waar de tegenstanders van Zwarte Piet een heel groot hart onder de riem wordt gestoken door buitenlandse (lees: Amerikaanse) actievoerders, documentairemakers en VN-
onderzoekers. (Misschien daarom juist niet zo verwonderlijk dat het suffix –ism tot het (Amerikaanse) woord van 2015 is verkozen…?)

Dé grote fout die zowel voor- als tegenstanders van taalverandering maken, is echter dat zowel de dat-is-belachelijk-want-dat-is-nu-eenmaal-onze-cultuur schreeuwers als de het-zijn-allemaal-tekens-van-onderdrukking-door-de-blanke-man roepers (een) “taal” zien als een waardevrij middel van communicatie dat los staat van de cultuur waaruit (een) “taal” is voortgekomen. Beide groepen geloven letterlijk in het Bijbelse adagium dat er eerst het Woord was, en toen pas datgene wat er werd bedoeld met dat Woord. (En voor de mensen die dát dan weer even gemist hebben: klik hier).

“Taal” (en niet alleen woorden maar ook grammatica, syntax, uitspraak enz.) ontstaat juist uit (culturele) omstandigheden.

En waar is dat nou mooier te zien dan in Legal English, ofwel in het Engels dat gebruikt wordt in de juridische context van de Anglo-Amerikaanse (Common Law)cultuur? Als datzelfde Engels (om allerlei redenen) óók wordt gebruikt in een Civil Law-cultuur, dan stuit je op een hoop ongerijmdheden en misverstanden. Het Nederlandse ‘opzeggen’ is niet zomaar terminate, de Nederlandse ‘rechter’ is lang niet altijd niet altijd een judge, en wat dacht u van ‘dagvaarding’, ‘verzoekschrift’, ‘kort geding’, ‘comparitie’, ‘vonnis’, ‘beroep’? Om er maar een paar te noemen…

Een andere cultuur geeft de woorden een andere betekenis. Hierover de komende weken in de Branch Out Legal English Blog.

Mediation (2)

Drie weken geleden schreef Karen Joubert (een al jaren in Nederland wonende Zuid-Afrikaanse jurist en trainer voor Branch Out klik hier voor bio) haar eerste blog over de steeds belangrijker wordende rol die mediation in Nederland krijgt. Hier volgt haar tweede blog.

Good communication skills are an essential part of the mediation process and require a mediator well versed in the language being used to mediate. I would suggest a minimum C2 of the Common European Framework of References for Languages  (CEFR) (click for more information) is necessary to successfully mediate a dispute in a language other than one’s native tongue. (By the way: for those who wish to find out what their level is, please visit www.branch-out.eu/test. NB: This test will give you an insight into the level of your passive knowledge, NOT your active use of the language).

This is a particularly important in the Netherlands, which not only has an estimated 500 000 internationals or expats as they are commonly referred to living here (See here), but also has legislation pending to further entrench mediation in the legal arena (click here for a De Brauw newsletter on this subject).

However, despite the justifiably well-recognised English language skills of the Dutch and their willingness to speak English, mediation is a specialised field and requires more than a superficial ability to speak English. It requires an in-depth knowledge of the language and the ability to use it effectively as a tool to diffuse potentially emotional situations and to move parties towards a better understanding of their dispute and respective interests and, in doing so, to help them resolve their dispute.

Anecdotal evidence suggests that mediations involving internationals are not always up to the standard necessary for success. An English friend, involved in an employment dispute, and a Romanian friend who speaks excellent English, involved in a custody dispute, both expressed disappointment with their respective mediations.

They described their experiences as being stilted and lacking in empathy. The mediators were described as rude and unsympathetic. These descriptions are of course unacceptable for a mediator. Why did this happen? The mediators were either poorly trained and rude, which I doubt, or they over-estimated their English language skills – an often encountered phenomenon in The Netherlands, encouraged, no doubt, by native English speakers who keep applauding their Dutch hosts’ mastery of English. “Naast de schoenen lopen” is, I
believe, the Dutch expression for this.

Few mediators would disagree that tact, diplomacy and politeness are essential
ingredients for a successful mediation. However, knowing how to be tactful, polite and diplomatic depends not only on the cultural awareness of the mediator, but also on his/her ability to express this in appropriate language and to understand what the participants really mean. English is not as direct as Dutch. In fact, the more polite or diplomatic we are, the less direct we become and this can lead to serious misunderstandings.

In addition to the above and even more important for a mediator is the ability to
summarise and reframe – translating emotive and provocative language into neutral
inoffensive language, whilst acknowledging the emotions experienced by the participants. Active listening skills and the ability to identify when it is important to clarify statements, in order to avoid misunderstanding between the participants and the mediator, are also important for a successful mediation.

My next blog will deal with these issues and some techniques and tips to mediate more
effectively in English.