All posts by Peter Peek

What’s in a language? (31)

We weten allemaal (nou ja, bijna allemaal…) dat films en televisie de zaken mooier, of in ieder geval: anders, voorstellen dan ze in werkelijkheid zijn. En dat geldt al helemaal als er rechtbanken, rechters en advocaten in meespelen. Er bestaat zelfs een woord voor dit justitiële genre: het zgn. Court Room Drama. Klik hier voor de 10 beste volgens de Britse krant The Guardian.

Lezers van deze blog weten heus wel dat de beslommeringen van het kantoor VDSGM in het Nederlandse equivalent van dergelijke Court Room Dramas, Zuidas, niet écht een realistisch beeld geven van hoe het er in een advocatenkantoor toegaat. Maar hebben ze dat ook door als ze naar buitenlandse (lees: Amerikaanse en Britse) films en series kijken? De
Britten zélf in ieder geval niet. Die denken dat Britse rechters bijv. voortdurend met een hamertje (de gaffel) lopen te zwaaien. Niet zo raar, want zelfs in Britse televisie-rechtbanken wordt er heel wat afgehamerd.

Onder invloed van series als (heel lang geleden) Perry Mason of (minder lang geleden) LA Law etc. kregen alle rechters in puur Britse rechtbankseries (te beginnen met Rumpole of the Bailey)  een hamertje in hun hand gedrukt. En gezien het feit dat échte rechtszaken ook in Engeland niet op de televisie worden uitgezonden (en in de Verenigde Staten vaak wel), denkt het Britse publiek nu dat Britse rechters die hamer te pas en te onpas hanteren. Laat ik u zeggen: Britse rechters hadden  géén hamers, hebben geen hamers en zullen hoogstwaarschijnlijk nooit hamers krijgen.

In Britse rechtbanken roepen advocaten verder nooit en te nimmer objection, Your Honour en antwoorden Britse rechters derhalve ook nooit met sustained of overruled. Geen enkele Britse getuige zal gevraagd worden om hun eed te beëindigen met So help me, God. En de woorden Will counsel please approach the bench, komen ook al nooit voor in de Britse rechtspraktijk.

Maar goed… fictie, en dus the stuff that dreams are made of. Het geeft het Britse publiek een verkeerd beeld van hun eigen rechtspraak, maar dat moeten ze verder allemaal zelf weten, die Britse tv-makers. Amerikaanse rechtbankdrama’s hebben echter óók een flinke invloed op het Britse taalgebruik. In het hier al eerder geciteerde boek That’s the way it crumbles  waar hij de veramerikanisering van het Brits-Engels bespreekt, geeft Matthew
Engel een aantal voorbeelden.

Vijftig jaar geleden (dus nét voor Perry Mason) was datgene wat getuigen deden: to give
evidence
. Dat is nu to testify geworden. Hoe ze dat deden? They went into the box, of the
witness box
. Hoe ze dat nu doen? They take the stand, daarbij vergetende dat Engelse rechtbanken niet eens een stand hebben. Op onder verdachte omstandigheden overleden
personen werd een post-mortem uitgevoerd, nu is dat een autopsy. Een parole (voorwaardelijke vrijlating) gold in Engeland alleen voor soldaten die in een oorlog door de
vijand gevangen genomen werden en werden vrijgelaten als ze plechtig beloofden niet meer de wapens op te nemen. Onder invloed van de Amerikaanse rechtspraak (of waren het de Amerikaanse tv-series?) werd dit woord vanaf het midden van de jaren ’60 ook voor veroordeelde gevangenen gebruikt. Tot rond de laatste eeuwwisseling was to appeal een
intransitief werkwoord (een werkwoord dat geen lijdend voorwerp nodig heeft), en werd het in combinatie met het voorzetsel against gebruikt, nu niet meer. Zo zei Theresa May nog onlangs (in relatie tot de Brexit): “We’re appealing the High Court decision”, terwijl dat 15-20 jaar geleden “We’re appealing against the High Court decision” was geweest.

Ik had het hierboven over de BBC-serie Rumpole of the Bailey. Bailey is een referentie naar het Britse Central Criminal Court, de “Old Bailey“. Bailey komt van het 13e-eeuwse Engelse woord  bailiff, misschien het best te vertalen als ‘gerechtsdeurwaarder’. Laat nu juist dit acht eeuwen oude woord/deze acht eeuwen oude functie in 2003 vervangen zijn door het Amerikaanse enforcement agent. Wat dacht u? Zou de serie Rumpole of the Old
Enforcement Agency
net zo’n succes zijn geweest?

English in Mediation (5)

Een kleine bekentenis… We zijn op deze plaats een aantal keren flink van leer getrokken tegen zgn. “nominalisaties” (lees bijv. nog eens Conciseness 6 of Plain English 15). Maar is dat wel helemaal terecht? Psycholinguïstisch onderzoek wijst uit dat nominalisaties wel degelijk hun nut kunnen hebben.

Even recapitulerend: nominalisaties zijn zelfstandige naamwoorden die gemaakt zijn van werkwoorden. In het Engels vaak woorden die eindigen op -tion (investigation,
communication),
-sion (persuasion, admission), -ment (movement, agreement), -ance
(variance, resistance), -ence (persistence, reference), -al (refusal, betrayal
) of –tude
(gratitude, multitude). U kunt vast zelf wel de werkwoorden erbij verzinnen… Over het
algemeen zijn de Plain English-goeroes het erover eens dat dit soort woorden, als het even kan, vermeden dienen te worden.

In Seeing through Legalese noemt Joseph Kimble ze “Zombie nouns: the tendency to turn strong verbs into abstract nouns accompanied by weak verbs (such as: is, do, make, have) is one of the worst faults in modern writing”.  In The Reader’s Brain, How neuroscience can make you a better writer, schrijft Yellowlees Douglas: …nominalizations tend to be complex, abstract and difficult to picture… they are sneaky and are flying stealthily beneath our radar, they are the villains of sentences because they steal the action from the verb, they obscure action, agency and even meaning in sentences. En dat zijn nog maar twee willekeurige Plain English-aanhangers. Genoeg in ieder geval om je er nooit meer aan te bezondigen…

Maar wat nu als het juist de bedoeling is de acteurs en de actie enigszins te verdoezelen? In een recente studie A Rose by Any Other Name (gepubliceerd in Psychological Science ) laten Michal Reifen-Tagar en Orly Idan zien dat gebruik van juist die nominalisaties ipv. de werkwoorden een positief effect kan hebben in situaties waar spanning op staat. Handig om te weten voor diplomaten, juristen en, met name, mediators.

De onderzoekers vermoedden dat het gebruik van zelfstandige naamwoorden (nouns), als in bijv.  “I am in favour of the removal of settlers”, een groter kalmerend effect zou hebben dan het gebruik van werkwoorden  als in “I am in favour of removing settlers”. De eerste (the removal of) is meer een statement, een min of meer abstract geloof. De tweede (removing of) meer een voorgesteld recept voor actie en geeft derhalve meer aanleiding tot (vaak ongewenste) emoties.

Zij presenteerden twee groepen (in total 400 proefpersonen) een reeks zinnen. Eén groep kreeg noun-zinnen, de andere groep kreeg verb-zinnen (“I support the division of/dividing Jerusalem”, “I am in favour of demolishing/the demolition of homes belonging to family members of those involved in terrorist activities”, “I am in favour of cutting off/the cutting off of supply of electricity to Gaza during wartime” etc.). De proefpersonen konden hun reactie kwijt op een schaal van 1 tot 6 (Volledig mee eens – Volledig niet mee eens). De resultaten waren precies zoals de onderzoekers hadden gedacht: de noun-zinnen gaven een veel mildere kijk op de zaken dan de verb-zinnen.

De resultaten van dit onderzoek zorgen er natuurlijk niet voor dat nu meteen maar de wereldvrede uitbreekt (of tenminste het Joods-Palestijnse conflict oplost) maar laat wel goed zien hoe spanningen tussen partijen iets kunnen verminderen door goed na te denken hoé je iets presenteert.

In grote lijnen lijkt deze nominalisatie-discussie natuurlijk een beetje op een andere pet-hate van Plain English-aanhangers: de passieve vorm. Ook die zou je zo veel mogelijk moeten zien te vermijden, maar er zijn behoorlijk wat omstandigheden waar die passieve vorm te verkiezen is boven de actieve vorm (zie Clarity 9).

Het is in deze serie blogs al een paar keer eerder beweerd: grammatica heeft meer
betekenis dan je denkt  (zie bijv. Correctness 5 of Correctness 6)

PS:
Mocht u na het lezen van deze blog nog zin hebben in een aantal oefeningen, ga dan hiernaartoe om van nominalisaties af te komen of hiernaartoe om juist nominalisaties te maken. Denk na voor wié u schrijft en wat u daarmee wil bereiken. Veel plezier.

Clarity (20)

Nou, nou, dát was even iets! In tamelijk omzichtige bewoordingen vond de Rechtbank
Amsterdam een paar weken geleden dat een verweer van mr. Inez Weksi niet geheel en al te volgen was, tenminste… het was voor de Rechtbank “minder duidelijk wat precies in al die pagina’s wordt betoogd”. De rechtbank vond het “lastig structuur in het betoog te
ontdekken” en standpunten waren, “ook door het zeer wijdlopige en grammaticaal niet kloppende taalgebruik, niet eenvoudig te onderscheiden”. Dat was het eigenlijk wel zo’n beetje… (Hier na te lezen, onder punt 3.2 – Algemene opmerkingen over het
gevoerde verweer).

Toch waren hele kuddes advocaten boos, niet in het minst natuurlijk Weski zelf. Weski, enigszins complottheoretiserend vanwege het feit dat zij eerder probeerde de rechtbank te wraken omdat de rechters in haar ogen niet onpartijdig waren: “Je kan slechts hopen, dat in hoger beroep wel magistratelijk en onafhankelijk zal worden geoordeeld met respect voor de wet en de advocaten”. Vervolgens vielen een hoop collega’s van Weski haar bij. “Is het aan de rechter om zich op een dergelijke wijze uit te laten over pleitaantekeningen? Ik geloof van niet”, schrijft Van Swaaij bijvoorbeeld in zijn blog , en een aantal advocaten vallen hem bij in de reacties. Ook de NRC spreekt er schande van; in een hoofdredactioneel commentaar schrijft de krant: “Kennelijk was er twijfel bij de rechters of de advocaat wel beschikt over voldoende kennis en vaardigheden om een goed verweer te kunnen voeren”.

En al gauw was er sprake van een benchslap (of een bench slap of een bench-slap,
afhankelijk van welke krant/blog/commentaar/woordenboek etc. u wilt volgen; weet dat er geen Engels equivalent voor het Groene Boekje bestaat). Een benchslap is (volgens de 10e editie van Black’s Law Dictionary, 2014 waarin het woord voor het eerste werd opgenomen) een judge’s sharp rebuke of counsel, a litigant, or perhaps another judge, esp., a scathing remark from a judge or magistrate to an attorney after an objection from
opposing counsel has been sustained.
Een balietik, dus.

Niet voor niets is benchslap (laten we de spelling van Black’s maar aanhouden) van Amerikaanse makelij. In tegenstelling tot de Nederlandse praktijk komt dat daar erg vaak voor, met name in de Appelate Courts (ofwel: in de hogerberoepszaken) is dit schering en inslag. Balietikken worden daar zó vaak uitgedeeld dat er verschillende categorieën voor in het leven zijn geroepen (vertical benchslaps, horizontal benchslaps, reverse benchslaps,
flying benchslaps, General benchslaps, inter-article benchslaps,
voor een nadere uitleg: klik hier) en er zijn zelfs Best-of-the-Year nominaties mee te winnen!

Verreweg de meeste balietikken echter, vallen in de categorie Learn to Proofread, You Idiotbenchslap, ofwel precies de categorie waaronder we de recente Weski-balietik kunnen scharen. In Judges on Effective Writing geeft Bryan Garner een korte bloemlezing van wat verschillende Amerikaans rechters hebben te zeggen over het taalgebruik in hun rechtbanken. Daarmee vergeleken is de Weski-balietik een lieftallig aaitje over haar hoofd van bezorgde, maar goedbedoelende, ouders. Iets dergelijks vindt Paulien Cornelissen in het NRC overigens ook.

Wat mij betreft mogen balietikken voor niet te volgen taalgebruik in Nederland veel vaker worden uitgedeeld. Schrijfregel Numero Uno: Weet Voor Wie U Schrijft. En als zelfs de Rechtbank een pleidooi niet meer kan volgen, is ergens iets goed mis. Dit nog afgezien van het feit of het nu wel zo handig is om de Rechtbank tegen de haren in te strijken. Ik hoop dat de advocatuur zich dit eens meer te harte gaat nemen. En misschien kunnen we dan ook stoppen om angstaanjagende woorden als “magistratelijk” en “de Magistratuur” te
gebruiken?

Plain English (18)

De hypotheekakte is misschien wel hét juridische document waar niet-juristen het vaakst mee te maken krijgen. En laat nu juist dát document “een van de meest onbegrijpelijke genres in het Nederlandse taalgebied zijn”. Tenminste, dat zeggen de Utrechtse
onderzoekers Leo Lentz, Marloes Herijgers en Erik van der Spek. In opdracht van
Vereniging Eigen Huis probeerden ze de hypotheekakte begrijpelijker te maken. Ze onderzochten daarvoor 42 aktes van 21 geldverstrekkers. Hun bevindingen beschrijven ze in het laatste nummer van Tekstblad, een tijdschrift over tekst en communicatie.

Ik moet bekennen dat ik het artikel nog niet zelf heb gelezen, wél een samenvatting op AM-Web (hier te lezen).  Ik heb het nummer besteld en als er meer te melden valt, kom ik hier binnenkort op terug. Om kort te zijn willen deze wetenschappers van de Universiteit Utrecht samen met de AFM, geldverstrekkers en de Vereniging Eigen Huis iets doen aan de schier onneembare leesbaarheidshorde die “hypotheekakte” heet.

Die hordes worden (volgens de samenvatting, althans) gevormd door woordlengte
(gemiddeld 5,69 letters per woord), zinslengte (gemiddeld 19,6 woorden), bijvoeglijke bepalingen (gemiddeld 3,1 per zin), een overmaat aan lijdende vormen en onnodige hulpwerkwoorden, veel te veel informatie in één zin en overmatig gebruik van zgn. “jargon”. Al deze gemiddeldes liggen vér boven welke andere tekstvorm dan ook. Dit alles is nogal kwalijk te noemen, met name omdat hypotheekakten juist onder de ogen komen van niet-juridisch onderlegde lezers. Regel Numero Uno als je begint te schrijven is namelijk:
Bedenk Voor Wie U Schrijft.

“Eindelijk wordt men wakker”, zou je kunnen verzuchten. In de Angelsaksische landen zijn ze al meer dan 40 jaar bezig om het onleesbaarheidsprobleem op te lossen. Hoewel de
private sector nog steeds worstelt met leesbaarheid en begrijpelijkheid, moét wetgeving in steeds meer landen en staten beantwoorden aan de ‘regels’ van Plain English. En wat meer zij: er verschijnen steeds meer uitgebreide verantwoordingen van commissies die zich bezig houden van met het “hertalen” van die wetgeving van traditioneel Legal English naar leesbaar en ook voor niet-juridisch onderlegde lezers begrijpelijk Plain English. Zie bijv. Bryan Garner’s Guidelines for Drafting and Editing Court Rules  (besproken in Concisesness 9 ) of Joseph Kimble’s New Federal Rules of Civil Procedure (besproken in Conciseness 8 ). In die verantwoordingen staat wat er waar en waarom is “hertaald”.

Vereniging Eigen Huis en de onderzoekers willen daarom om tafel met de geldverstrekkers om te kijken hoe ze samen de akte beter leesbaar kunnen maken. Ook het notariaat en toezichthouder AFM krijgen een uitnodiging. Ik hoop dat ze kennis nemen van al die jaren aan vooronderzoek dat de Plain English-beweging al heeft uitgevoerd. Het is namelijk niet alleen maar kortere zinnen maken, lijdende vormen proberen te ontwijken, archaïsmen schrappen en jargon vermijden en ga zo nog maar even door. Het gaat ook over een betere en daardoor meer inzichtelijke tekstopbouw, indeling, vermijden van ambiguïteit,
overbodigheden en herhalingen en ga zo nog maar even door. En hopelijk kunnen ze de klus klaren zonder enigszins neerbuigende woorden als “versimpelen”, “vereenvoudigen”, en “Jip-en Janneketaal” te gebruiken… Dáár gaat het niet om. Leesbaarheid en
begrijpelijkheid moeten de uitgangspunten zijn.

Overigens, over “jargon”, ofwel Terms of Art gesproken: de angst om al te veel rekening te houden met juridische eisen aan woorden als ‘inpandgeving’ of ‘kwijting’ zijn, volgens mij, eenvoudig te tackelen door de eerste keer dat dergelijk (oei! help!) jargon in een
hypotheekakte wordt gebruikt, een simpele verklaring tussen haakjes te schrijven. Waar staat dat dat niet mag? En als een simpele, door iedereen te begrijpen verklaring om welke reden dan ook niet mogelijk is, dan lijkt me dat je dat jargon/Term of Art sowieso moet voorkomen.

Zoals gezegd: wordt vervolgd!

Conciseness (9)

Een deelnemer aan onze Contract Drafting-Best Practices workshop nam een (Engelstalig) contract mee. Het contract was 10 bladzijden lang en telde ongeveer 3.500 woorden. 270 keer kwam het woordje of voor, los gebruikt als vertaling van “van” of in samenstellingen als hereof, thereof, etc. ofwel: meer dan 10% van de gebruikte woorden. Nu zijn contracten sowieso niet erg boeiende teksten, maar deze overvloed aan offen zorgde ervoor dat het nóg saaier en zelfs houterig was om te lezen.

En dat terwijl juist het Engels zo veel mogelijkheden heeft om dat te voorkomen!  Verreweg de meeste ofs waren een directe vertaling van het Nederlandse bezittelijke “van”. Schrijf niet: the pleading of the Lender, maar the Lender’s pleading; niet: the claims of the opposing party, maar the opposing party’s claims: niet: the Borrower may not, without the prior
consent of the Lender, maintain.. maar the Borrower may not, without the Lender’s prior
consent, maintain
…; … in the name of the Borrower wordt dan: …in the Borrower’s name.

Toegegeven, dit kan in het Nederlands ook, maar de bezits-s (zoals in ‘Peters boek’) wordt veel minder vaak gebruikt dan in het Engels waar dit eigenlijk de standaard is.
Nederlanders gebruiken inderdaad veel vaker: “het boek van Peter”, en dit zal dan ook wel de voornaamste reden zijn van die explosie aan het Engelse of in door Nederlanders geschreven Engelse teksten. (NB: denk even aan de apostrof vóór de s in het Engels, zie…).

Bryan Garner schrijft in zijn Guidelines for Drafting and Editing Court Rules uit 1997:
Minimize of-phrases, they tend to encumber sentences. Zijn Guidelines was een “hertaling” van de Federal Rules of Appelate Procedure van het Engels naar Plain English. Federal Rule 13(C) bijvoorbeeld, klonk: The content of the notice or appeal, the manner of its service, and the effect of the filing of the notice and of its service shall be as described in Rule 3. Garner maakt ervan: Rule 3 prescribes what a notice of appeal must contain, how it should be served, the effect of its filing, and the effect of its service. Met andere woorden: hij elimineert 50% van de ofs in één zin. (NB: zie ook hoe hij shall de nek omdraait…).

Je zou er ook volledige zelfstandige naamwoorden van kunnen maken: by order of the court wordt zo by court order, enz. Dit komt in het Nederlands natuurlijker over, maar is in het Engels zeer zeker niet ongebruikelijk (NB. schrijf in het Engels die woorden niet aan elkaar!)

Heel vaak ook kan je een –ing vorm binnen laten sluipen zodat je of niet meer nodig hebt: On receipt of a notice of cancellation referred to in clause 7.7(a)in het eerder aangehaalde Nederlandse contract: After receiving a notice of cancellation… kunnen worden; of zelfs
After receiving a cancellation notice; in the conduct of the action wordt dan conducting the action etc.

Laat anders het woordje of gewoon weg?  …must include the names of all parties, kan
eenvoudig …must name all parties worden; if any of the loans are prepaid… is hetzelfde als: if any loans are prepaid; het zeer vaak gebruikte the amount of € xxx is precies hetzelfde bedrag als je schrijft: € xxx, dat wil zeggen zónder het (vaak) overbodige the amount of.

Ik wil natuurlijk niet zeggen dat u maar direct rücksichtslos alle of uit uw teksten moet
bannen, maar een beetje minder maakt uw teksten stukken aantrekkelijker om te lezen. Bovendien voorkomt u dan het zo vaak gebruikte hereof, whereof, thereof etc. dat zo vaak juridische ambiguïteit in de hand werkt. Een beetje wieden in het gebruik van of zorgt er ook voor dat u al die voorzetselconstructietjes vermijdt die, met name juridische, teksten zo droog, ambtelijk. hoogdravend en officieel maken.

Want: by means of  is gewoon: by; by reason of is niets anders dan: because; by virtue of = by; for the purpose of = to; from the point of view of = from; in favor of = for; in terms of = in;  in the nature of = like; on the basis of = by/from; for the period of = for; to the effect of = for;  for the benefit of = for;  in the excess of = more than; by way of = through,

Waarom alles met zo veel woorden zo ingewikkeld maken? Uw lezers lezen liever iets
anders…

Conciseness (8)

Eigenlijk zouden Nederlandse juristen stikjaloers moeten zijn op hun Angelsaksische
collega’s; door de veel grotere rol die “taal” speelt in het Anglo-Amerikaanse (common law)rechtssysteem is er ook veel meer (wetenschappelijk) onderzoek hiernaar. En soms met verrassende resultaten. Resultaten die de taalgrens overschrijden en waar ook Nederlandse juristen hun voordeel mee kunnen doen. Neem bijvoorbeeld eens de woordjes die bekend staan als intensifiers. Inderdaad, de woorden die een tekst, een betoog, een
pleidooi etc. ‘intenser’ maken, ofwel, in het Engels, woorden als: very, obviously, clearly, so, patently, absolutely, really, plainly, undoubtedly, certainly, totally, simply of wholly (u kunt vast wel Nederlandse equivalenten bedenken).

Alle legal writing-experts zeggen dat u die intensifiers zo veel mogelijk moet vermijden. Richard Wydick in Plain English for Lawyers, bijv. over ‘clearly’: If what is said is clear, then clearly is not needed. And if it is not clear, then clearly will not make it so. Het algemene gevoel is dat intensifiers onnodige ophopingen van woorden veroorzaken die hun doel voorbijstreven doordat de lezer/luisteraar juist gaat twijfelen aan de stelligheid van die
woorden.

Dat kan allemaal wel waar zijn, maar het waren slechts aannames. Lance Long en William Christensen onderzochten alle hoger-beroepszaken in de staat Utah uit de jaren 2000 en 2001 waar een duidelijke uitspraak (bevestigend of verworpen) lag en waar de pleidooien van beide partijen openbaar en schriftelijk aanwezig waren. De resultaten staan beschreven in hun artikel Clearly, Using Intensifiers Is Very Bad – Or Is It? Ze telden de
woorden die als intensifier werden gebruikt (zie boven) en kwamen tot de duidelijke
conclusie dat de advocaten die bovengemiddeld veel van die intensifiers gebruikten in hun pleidooien, een veel grotere kans liepen de zaak te verliezen (the plot shows that an
excessive intensifier usage rate is associated with an almost negative outcome
).

De vraag is natuurlijk of dat komt door die intensifiers, of dat er niet ook andere redenen zijn (bijvoorbeeld: zijn de advocaten al bij voorbaat niet al te zeker van hun zaak en
gebruiken ze dáárom juist bovengemiddeld veel intensifiers om hun woorden kracht bij te zetten?). Interessant is daarom ook dat Long en Christensen een link leggen naar het
verschijnsel Powerless Language, dat voorkomt in het baanbrekende studie uit 1975 van Robin Lakoff , genaamd Language and Woman’s Place (meer vormen van Powerless
Language
? Zie het Wikipedia lemma over Lakoff).

Intensifiers (of in ieder geval: een vaak gebruik daarvan) kortom, duidt op zwakte (of in ieder geval: dat wat als ‘zwakte’ wordt beschouwd). Let erop als u dit soort woorden (en ongewijfeld ook hun Nederlandse equivalenten!) gebruikt!

Deze categorie intensifiers is tamelijk eenvoudig te spotten. Iets lastiger is de andere
categorie intensifiers waar Joseph Kimble (e.a.) mee te maken kregen toen zij een aantal jaren geleden de Amerikaanse Federal Rules of Civil Procedure (FRCP) moesten
herschrijven in plain English (FRCP = bepalingen van burgerlijke rechtsvordering). Door alle wijzigingen en amendementen door de jaren heen en de daaruit voortvloeiende angst om niet ergens iets te missen, bleek dat deze FRCP vol stonden met intensifiers van deze
categorie.

Om er een paar te noemen: 1) if, for any reason…: de laatste drie woorden voegen helemaal niets toe aan die if. Vgl. in het Nederlands: “Als, om welke reden dan ook”, dat aan hetzelfde euvel lijdt; 2) if the court deems it advisable, the court may…: het lijkt me dat de rechtbank niet iets doet wat niet advisable is, dus waarom dat te noemen?; 3) the court may, in its discretion… may betekent al has the discretion to …; en ga zo nog maar even door. We komen daar in een volgende blog nog wel eens op terug.

Deze categorie zou ik het liefst “open deuren” willen noemen. Maar is de eerste categorie ook niet een “open deur”? This is so totally, totally (un)true, zou de absolute Meester van de Intensifiers zeggen die momenteel een post bekleedt in het Witte Huis in Washington.

Cohesion (4)

“Only after the Registered Property and the Movable Assets have been transferred will the Buyer be authorised to effectuate the assignment of the aforementioned rights by giving
notice of this assignment to the persons against whom the said rights can be exercised”

kwamen we onlangs tegen in een van onze Contract Drafting-Best Practices workshops (dikgedrukte woorden van mijn hand). Oepsss, dachten we, dát kan op minstens twee plekken beter. En wel (niet helemaal verrassend) op die twee dikgedrukte plekken.

Op de een of andere manier blijven juristen hardnekkig woorden en zegswijzen gebruiken die door de rest van beschaafde wereld al honderden jaren als archaïsch en zelfs: oubollig, worden beschouwd. Zo komt said, volgens deel X van de Oxord English Dictionary al in 1300 voor het eerst voor en aformentioned steekt (volgens deel I) in het jaar 1418 al zijn kopje op. Beide woorden (ook al niet helemaal verrassend) in een juridische context. ‘Niet
verrassend’ omdat er in die tijd -op religieuze geschriften na- niet heel veel anders schriftelijk werd vastgelegd dan juridisch(-financiële) zaken. En juist omdat die woorden al 600-700 jaar in juridische schrijfsels worden gebruikt, zijn juristen vaak van mening dat dit soort woorden wel een specifieke juridische betekenis moét hebben. En al helemaal Anglo-Amerikaanse juristen die werken binnen een case law-omgeving waar eerder gedane rechterlijke uitspraken van veel groter belang zijn dan in civil law landen als (bijv.) Nederland.

Een woord als said in een juridische omgeving wordt vaak beschouwd als een Term of Art. Een Term of Art is een woord of zin dat een specifieke (in dit geval: juridische) betekenis heeft, zie hiervoor What’s in a Word 24  Niets is echter minder waar, zoals we ook al in
Cohesion 3 hebben besproken. Sterker nog, in Legalese and the Myth of Case Precedent laat Benson Barr (et al) zien dat slechts 3% van de woorden in alle vastgoedcontracten in de VS in 1985 bestaat uit échte Terms of Art, dus woorden met een échte, specifiek juridische, betekenis. Joseph Kimble merkt in zijn nieuwste boek Seeing through Legalese misschien wel terecht op dat hoe vaker bepaalde woorden in, vooral, contracten het onderwerp van een rechtszaak zijn, hoe minder die woorden aanspraak kunnen maken op de titel Term of Art

Veel Amerikaanse rechtbanken hebben het woord aforementioned al sinds 1949 in het
Californische Estate of Dubois als sheer redundance afgedaan,  En als said maar naar één ding kan terugverwijzen, is het helemaal onnodig. En onnodigheid irriteert lezers (niet in het minst: Amerikaanse rechters) en doet de schrijver pompeus en overdreven plechtstatig overkomen. Als die woorden naar meerder precedenten terugverwijzen treedt er vaker dan niet ambiguïteit op, en dus vergroot dat de mogelijkheid tot allerlei juridische procedures wist bijv. Sir Edward Coke al in 1664 (The First Part of the Institutes of the Lawes of England of zie ook The Language of the Law door David Mellinkhof van 1990.

Veel juridische woordenboeken (waaronder het gezaghebbende Black’s Law Dictionary) zeggen dat said alléén terugverwijst naar het dichtstbijzijnde antecedent, maar nog veel  rechtbanken verwijzen dit naar het rijk der fabelen en nemen vaak meer rekening met de intentie van de opsteller (van het contract/testament etc.). Veel houvast heb je daar dus ook niet aan.

Er zijn meer dan genoeg alternatieven. In verreweg de meeste gevallen is said makkelijk te vervangen door the zonder enig verlies van juridische nauwkeurigheid. Als je per sé wilt terugverwijzen naar iets, en dat ‘iets’ is kort, dan kan je het gewoon herhalen. Als het
antecedent wat langer is, kort het dan gewoon af: the defendant’s green 2012 Audi A4 sedan, license number HD-VP-50 kan gewoon afgekort worden met the Audi in this
document.

Nog even terug naar de eerste alinea: die zin uit een Engelstalig contract, geschreven door een Nederlandse jurist. Niet alleen gaat die gebukt onder wat we zojuist beschreven, maar bovendien is dit ook nog een gevalletje Elegant Variation (vooral niet doen: zie Clarity 18).
Klaarblijkelijk vond de schrijver het een beetje saai om twee maal dicht bij elkaar het
woord aforementioned te gebruiken en gebruikte hij/zij daarom said bij de tweede keer. Alleen… nu krijg je een verwijzing (said) naar een verwijzing (aforementioned) naar een
antecedent (rights). Ambiguïteit op ambiguïteit, dus. Het is maar goed dat een Anglo-Amerikaanse rechtbank dáár niet zijn tanden in kan zetten…

What’s in a language?(30)

“Goed of Fout”… we hebben het hier al eerder over gehad. Vaak vragen deelnemers aan onze trainingen of iets “goed Engels” of “slecht Engels” is. Meestal kunnen we dat wel zeggen, maar ook vaak niet. Het ligt er maar aan wie of wat je als ‘standaard’ gebruikt. Nederlanders hebben het in ieder geval een stuk makkelijker (als ze Nederlands schrijven, tenminste). Nederlanders hebben de Nederlandse Taalunie en de Algemene Nederlandse Spraakkunst (de ANS, óók in elektronische vorm) die zeggen wat goed en fout is. De
Engelstaligen moeten iets dergelijks ontberen.

In Engelstalige landen ga je voor je goed-fout vragen te rade bij gerenommeerde woordenboeken of stijlgidsen, of bij mensen en instituties die het “wel zouden moeten weten”. Zo is in de Verenigde Staten bijvoorbeeld het Hooggerechtshof (Supreme Court) een van die
instituties. Een recente studie van Jill Barton in The Journal of Legal Writing  laat zien dat de negen opperrechters (Supreme Court Justices) opmerkelijk unaniem zijn in hun schrijfstijl. Tóch komen er steeds meer kleine barstjes in het ooit zo conservatieve (vwb. schrijfstijl, dan) bolwerk; tot grote schrik van velen steekt the conversational style steeds vaker zijn moderne kopje op in de opinies, rechtsopvattingen en uitspraken van het Supreme Court.

U heeft hier al eens kunnen lezen dat de nieuwste opperrechter (Justice Neil Gorsuch), oh horror!!, onbekommerd samentrekkingen gebruikt (doesn’t, didn’t ipv. does not of did not) in z’n schrijfsels, Jill Barton toont aan dat het nog verder gaat. Zij heeft alle opinies,
oordelen, overeenstemmingen en afwijkende meningen van het Supreme Court uit 2014 en 2015 bekeken en kwam tot de volgende conclusies.

Steeds vaker schrijven de Justices zinsdelen als hele zinnen; Justice Kagan bijv. in Kimble v. Marvel Entertainment: “Maybe. Or, then again, maybe not.”; Chief Justice Roberts: “So too here.” (in Halo Elecs v. Puls Elecs); Justice Scalia drukte zijn misnoegen over de beslissing van het Supreme Court over Obamacare uit: “Pure applesauce.”(een uitdrukking die daarna door minstens zeven rechters in lagere rechtbanken is gebruikt); of, in mijn ogen de mooiste, opnieuw Roberts in Pennsylvania v Dunlap: “North Philly, May 4, 2001. Officer Sean Devlin, Narcotics Strike Force, was working the morning sift. Undercover surveillance. The neighbourhood? Tough as a three-dollar steak”.  Allemaal ongehoord tot voor een paar jaar geleden. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat vier van de vijf Justices dit tot nu toe nooit hebben gedaan.

De regel dat je een zin nooit begint met voegwoorden als And, But en Yet is door alle negen Supreme Court Justices al naar het rijk van de taalsprookjes verbannen, maar nu wint het nog steeds controversiële voegwoordje So als eerste woord in een zin ook steeds meer
terrein. Anand Giridharadas schreef een boze column in de New York Times tegen de, in zijn ogen verfoeilijke gewoonte zinnen te beginnen met So, maar acht van de negen opperrechters gebruiken het zeer regelmatig.

Onderling zijn de negen Justices het met elkaar oneens over het gebruik van de apostrof + s (‘s) om bezit aan te duiden. Bij iets als John’s book (het boek van John, dus) zitten ze op één lijn, maar in woorden die eindigen op een -s, is er een duidelijke scheidslijn te zien. Het woord Congress bijvoorbeeld krijgt bij vier van de negen een ‘s (Congress’s). Dit is ook de “officiële” regel: altijd ’s in de bezittelijke vorm als het enkelvoud van het woord op een -s eindigt (zie verder hier in Clarity 4 ). De andere  vijf het houden bij alleen een apostrof
(Congress’). Jill Barton merkt overigens op dat ook de hierboven genoemde
‘gerenommeerde stijlgidsen’ elkaar op dit punt tegenspreken. The Chigaco Manuel of Style bijv. zegt géén ’s in het geval van een merknaam (General Motors’ factories) en als de enkelvoud hetzelfde is als het meervoud (The United States’ role in international law).

Hoewel niet alle Justices allemaal even vooruitstrevend zijn op alle schrijfgebieden (wijlen
Antonin Scalia misschien uitgezonderd), kan je gerust stellen dat de bal richting a more
conversational style of writing
begint te rollen. The Times They Are A-Changin’. Of met
andere woorden: Is Dan Niets Meer Heilig?

(met dank aan Marcia Coyle)

What’s in a word? (25)

De Senaat van de Filipijnen is momenteel bezig met een reeks hoorzittingen over een
controversieel contract tussen de Filipijnse marine en het Zuid-Koreaanse Hyundai. Ter
discussie staat of Hyundai het alleenrecht heeft te beslissen met welk CMS (Combat
Management System
) twee nieuwe fregatten worden uitgerust. Hyundai wil een CMS dat ze ook al aan de Zuid-Koreaanse marine hebben geleverd, en het opperhoofd van de
Filipijnse marine, de Flag Officer in Command (FOIC), vice-Admiraal Ronald Mercado wil een systeem van het bedrijf Thales Tacticos, dat al meer dan 20 nationale marines als klant heeft.

Hyundai vindt dit allemaal prima, maar dan moet de Filipijnse regering met maar liefst 7 miljoen Amerikaanse dollars extra over de brug komen. Reden voor de Filipijnse overheid om Ronald de laan uit te sturen.

Wat is het probleem?, zou je zeggen, gewoon even kijken wat er in het contract staat, toch? In het contract tussen Hyundai en de Filipijnse overheid echter, staat dat het CMS “shall be compatible” met standaard CMSen. En juist het gebruik van dat woord “shall” maakt het erg ingewikkeld. Ronald Mercado stelt dat shall be compatible betekent dat het mandatory or obligatory* is, ofwel “verplicht”, en dat Hyundai daarom contractueel gebonden is aan het installeren van het CMS van Thales Tactitos, en wel zonder extra kosten, dank u wel…

Hyundai houdt vol dat het in deze constellatie gebruikte shall be louter en alleen een toekomstige situatie schetst en dat het allemaal heus wel goed komt met hun eigen CMS. (Een andere reden zou kunnen zijn dat Thales Tacitos de prijs van hun CMS onlangs flink heeft verhoogd, maar dit terzijde…).

Hoewel wij een sterke voorkeur hebben voor de interpretatie van de gewezen vice-Admiraal (gebruik shall in contracten alleen maar als je een verplichting op wilt nemen, en als je dat in die betekenis gebruikt, waarom gebruik je dan geen must? zie bijv. What’s in word? (3) en What’s in word? (4)), laat dit voorbeeld tegelijkertijd ook zien dat het gebruik van shall in contracten iedere keer weer controverses oplevert. Joseph Kimble zegt in zijn artikel The Many Misuses of Shall dat er voor Amerikaanse rechtbanken op dit moment duizenden rechtszaken lopen met shall als voornaamste struikelblok. Bryan Garner heeft al 10.000 lansen gebroken om shall maar helemaal af te schaffen (hier is een goede gebroken lans te lezen) en plainlanguage.gov, de officiële website van de Amerikaanse overheid, schrijft dat de Australische wetgeving en die van de meeste Canadese provincies al must heeft ingevoerd als het expliciet om een verplichting gaat.

Lezers die niet genoeg kunnen krijgen van Filipijnse senaatshoorzittingen, verwijs ik graag naar dit youtube-kanaal. Het shall-verhaal begint op 4:32:30. Maar wat je er ook verder ook van vinden mag, het voornaamste struikelblok van shall is dat het woord zo enorm ambigu is. En ambiguïteit is juist iets wat je in contracten wil voorkomen. Aan de andere kant…
ambiguïteit is ook erg goed om van onwelgevallige vice-Admiraals af te komen. Misschien ook wat waard?

* “mandatory and obligatory” overigens is op zich al weer zo’n overbodige legal doublet. Het betekent allebei “verplicht”, maar mandatory stamt van mandate en wordt gebruikt bij (geschreven) regels en wetten en obligatory stamt van obligation en wordt eerder gebruikt in het geval van (ongeschreven) morele of sociale verplichtingen.

Plain English (17)

In zijn vonnis in de zaak Merkur Island Shipping Corp. v. Laughton Hoegh Apapa (een
conflict tussen vakbonden en een scheepseigenaar)  uit 1983 voor het Britse High Court of Justice schreef Lord Diplock (die het record in handen heeft van langstzittende rechter, 1956-1985) de volgende woorden: Absence of clarity is destructive of the rule of law; it is
unfair to those who wish to preserve the rule of law; it encourages those who wish to
undermine it.

Had het Australische bedrijf Radio Rentals dit maar ter harte genomen, dat had de eigenaar (Thorn Group) in ieder geval zo’n slordige 22 miljoen Australische dollars bespaard.

Wat wil het geval? Vorig jaar maart bedacht de Australische alleenstaande moeder Casey Simpson zich dat ze wel érg veel aan het betalen was voor een bed en een matras. Haar slaapcomfort zou in de winkel ongeveer A$ 430,- hebben gekost, maar nadat zij was
ingegaan op de reclame van Radio Rentals, in Australië bekend als de ‘Rent, Try, $1 Buy’-campagne, bleek na een aantal jaar dat zij al meer dan A$ 3.400,- had betaald, nog steeds maandelijks aan het betalen was én dat haar bed gewoon eigendom van Radio Rentals bleef.

Plotseling sliep Casey niet meer zo lekker en, na tussenkomst van advocaat Ben Slate van het advocatenkantoor Maurice Blackburn was het ook gedaan met de nachtrust van Radio Rentals. Maurice (“We fight for fair”) Blackburn begon uit naam van Casey Simpson een groepsvordering (in Australië: een open-class action).

Vorige week is aan die groepsvordering (voor Casey en duizenden anderen) een einde gekomen en Radio Rentals kwam overeen om voor A$ 6 miljoen nog uitstaande contracten te beëindigen en A$ 14 miljoen te veel ontvangen geld terug te betalen. Over de boete van A$ 2 miljoen wordt nog gesteggeld met ASIC (Australian Securities & Investments Commission), het Australische equivalent van de Nederlandse AFM. Daarnaast beloofde Radio Rentals om vóór 1 juli 2018 te komen met nieuwe, in Plain English geschreven,
leasecontracten. Dit zelfs in directe samenwerking met ASIC.

De onduidelijkheid van de door Casey Simpson getekende contracten namelijk, was (samen met de bijzonder onachtzame manier van Radio Rentals om de kredietwaardigheid van hun klanten te checken) het voornaamste punt dat de advocaten van Maurice Blackburn naar voren brachten.

In de Australische Corporation Act uit 2001 werd al opgenomen dat de taal in
prospectussen en overeenkomsten clear, concise and effective moest zijn. In november 2011 kwam de ASIC met een rapport wat dat clear, concise and effective dan in hun ogen wel betekende, en in november 2016 kwam een ge-update versie hiervan. Deze versie valt hier te lezen en staat vol met tips en aanbevelingen voor het gebruik van Plain English,
geïllustreerd met tal van voorbeelden.

Wél fijn dat Radio Rentals hier gebruik van kan maken; als Nederlandse bedrijven iets dergelijks gaan proberen, komen ze op de AFM-site niet verder dan de aanbeveling:
“Andere aspecten van de informatie zijn vormvrij, wel is van belang dat de informatie in
begrijpelijke taal is opgesteld
”. Tsja…

Voor zover ik weet, is dit de eerste keer (of in ieder geval de duurste keer) dat het
ontbreken van duidelijk taalgebruik (Plain English, in dit geval) een flinke financiële
aderlating voor een bedrijf betekende. Als Lord Diplock nog in leven zou zijn, zou hij ongetwijfeld ook hebben opgemerkt dat de door hem verfoeide absence of clarity ook nog eens behoorlijk in de papieren kan gaan lopen…