Category Archives: What’s in a language?

What’s in a language? (52)

Zo af en toe steekt het weer zijn lelijke hoofdje op: de notie dat er “in andere talen”
woorden bestaan die iets betekenen waar “wij” (de Nederlanders, denk ik) geen woorden voor hebben. Zoals afgelopen zaterdag weer in een essay (ook écht als zodanig aangekondigd!) in de NRC van Christiaan Weijts, getiteld: “Woorden voor het
onbenoembare”
.

En weer kunnen we het rijtje anderetaalwoorden lezen waar geen Nederlands equivalent voor zou zijn: het Portugese saudade, het Italiaanse culaccino, het Japanse komorebi, en, natuurlijk, het Deense hygge. Die lijst van woorden die alleen maar bestaan in je eigen taal is moeiteloos uit te breiden met nog eens 100.000 voorbeelden. Weijts noemt dit “een fenomeen waar zelf ook geen woord voor is”. Jammer voor hem, maar daar bestaat
natuurlijk wél een woord voor, en dat woord is gewoon ‘taalleemte’. Oftewel, volgens Wikipedia: “het ontbreken in de taal van een woord of standaarduitdrukking voor iets
concreets in de werkelijkheid of een bepaald concept. Een dergelijk gat in de taal valt met name op als er voor hetzelfde in een andere taal wel een specifieke term bestaat”.

Hier valt heel wat op af te dingen, en misschien kan je zelfs zeggen dat dergelijke
romantische ideetjes over taal gevaarlijk uit kunnen pakken…

Wat valt er dan op af te dingen? Ten eerste is het nog maar de vraag of de sprekers van de desbetreffende taal die woorden zélf wel kennen of gebruiken. Saudade en hygge zullen resp. Portugezen en Denen best wel bekend voorkomen, maar de vraag hier is of door die woorden telkens weer op dezelfde rijtjes terug te laten komen, internationale toeristische marketingstrategieën hier niet een belangrijke rol in spelen. En het is alweer een stuk
twijfelachtiger of een gemiddelde Italiaan ooit culaccino (=vermeend Italiaans voor het kringetje water dat een koel, beslagen glas op een tafel achterlaat) gebruikt. Komorebi (=vermeend Japans voor de zon die op een bepaalde manier door de bladeren schijnt) komt uit een roman uit 11e –eeuw: ‘Het Verhaal van Genji’. Ik durf er iets om te verwedden dat de gemiddelde Japanner er nog nooit van heeft gehoord. Veelzeggend overigens, is dat culaccino  óók een merk limoncello is, en komorebi een duur merk Belgische zonnebrillen, maar dit terzijde (Kip? Of ei?).

Ten tweede is het vaak simpelweg de structuur van een taal die ervoor kan zorgen dat er überhaupt dergelijke woorden kúnnen ontstaan. Zo zijn er agglutinerende talen waar
voor- en achtervoegsels aan een woord kunnen worden toegevoegd om de betekenis verder te specialiseren (zoals het Fins, het Turks en het Japans) en isolerende talen waar het een stuk moeilijker is om van twee (of meer) woorden een nieuw woord te maken. Het Engels is hier een (bescheiden) voorbeeld van. Daarom zie je ook veel meer Engelse dan Nederlandse woorden “los” van elkaar geschreven staan.

(Kleine Tip: dit is ook de voornaamste reden om in het Engels nóóit haakjes binnen hetzelfde woord te gebruiken! Wij zien vaak door Nederlanders geschreven Engelse woorden als (inter)national, (soil)pollution (im)patience etc. Schrijf in plaats daarvan: national and
international, polution and soil polution. patience and
impatience etc. Hier al eerder over geschreven).

En ten derde: als er geen anderstalige equivalenten voor woorden zijn, zal dat wel een
reden hebben. Een reden van bestaansrecht, bijvoorbeeld: waarom zouden de Engelsen een woord moeten hebben voor hypotheekrenteaftrek (overigens een mooi voorbeeld van iets agglutinerends) als ze dat niet hebben? Of een historische reden: het Oud-Engels had ooit een woord voor “niets-zeggen”: het woord swīgan (nauw verwant aan ons “zwijgen”, dus), maar dat is nu alweer een tijdje: to be silent. Of iets breder getrokken: wij horen vaak dat de Engelsen met zoveel omhaal van woorden zo beleefd en formeel zijn. Is dat
misschien ook omdat er in het Engels geen verschil (meer) is tussen “u” en “jij”, en dat dat op de een of andere manier gecompenseerd moet worden?

En waarom zou het zelfs gevaarlijk kunnen zijn om te denken dat andere talen een of
andere geheimzinnige voor ons niet te ontcijferen code bevatten? Omdat we dan het gevoel krijgen dat die mensen de wereld om hen heen op een heel andere manier bekijken. Omdat het dan nog maar een kleine stap is naar de gedachte dat die anderstaligen ook wel eens slecht en inferieur zouden kunnen zijn, met een voor “ons” onbekende kennis van dingen die ze ook wel eens tegen “ons” zouden kunnen gebruiken. Omdat het
“buitenlanders” zijn, een heel ander “soort” mensen.

De taal die je spreekt, bepaalt de manier waarop je de wereld bekijkt. Dat is, kort en bondig samengevat: de Sapir-Whorfhypothese (ook aangehaald door Christiaan Weijts in zijn NRC-essay). Moeten we deze hypothese serieus nemen? Betekent dit dat er inderdaad
“onvertaalbare” woorden zijn? En wat betekent dit voor Legal English? Volgende week meer hierover in Deel 2.

 

 

What’s in a language? (51)

In de zaak  Cummings v Granger opende de rechter Baron Denning (probably the greatest English judge of modern times, volgens Margaret Thatcher) met: This is the case of the
barmaid who was badly bitten by a big dog.
Een prachtig staaltje van alliteratie (ofwel het herhaald gebruik van gelijke beginmedeklinkers in twee of meer beklemtoonde lettergrepen of woorden binnen één zin).

In een feitelijke en van emoties gespeende wereld als de rechtspraak is het eigenlijk
opmerkelijk dat een poëtische stijlvorm als alliteratie door de (met name Engelstalige)
juridische wereld vaak omarmd wordt. Aan de andere kant zou je ook kunnen stellen dat alliteratie al vanaf het begin van de Engelse rechtspraak een belangrijk stijlmiddel is.

Alliteratie is in wezen een bijzonder handig geheugentechnisch hulpmiddel. Zeker toen men nog erg weinig geschreven woord gebruikte, was alliteratie (naast andere poëtische kenmerken, zoals assonantie, ritme, rijm etc.) één van de middelen om (o.a.) wettelijke normen te helpen behouden en uit het hoofd te leren. In 1066 werd in Engeland veel
“traditionele” rechtspraak aan de kant gezet door de binnenvallende Normandiërs die hun eigen taal (met bijv. verhoudingsgewijs veel meer eindrijm, denk aan Sinterklaasrijmpjes: denken-schenken) en juridische gewoontes introduceerden. (voor een kort geschiedenis-
lesje, klik hier). In de tweede helft van de 14e eeuw grepen de Engelsen weer langzaam terug op hun “ eigen” Angelsaksische traditie van vóór 1066. Engels kwam weer terug als rechtstaal, en met die terugkomst ook weer de alliteratie. Dit staat in de literatuur-
geschiedenis zelfs bekend als de alliterative revival.

Het is daarom geen toeval dat veel van de uit die tijd stammende legal doublets and triplets  alliteraties zijn  die het legal English vandaag de dag nog steeds gebruikt, juist uit die tijd stammen: signed and sealed;, aid and abet; search and seizure; rest, residue and
remainder; any and all; each and every; have and hold; clear and convincing; safe and sound; part and parcel
; malice murder; aggravated assault; friendly fire; adverse authority; hell or high water (in contracten) en ga zo maar even door.

Ook is het daarom geen toeval dat alliteratie in de Anglo-Amerikaanse rechtspraak zó wordt aangeschreven dat Ross Guberman (een legal writing-docent aan de Yale Law School) in 2017 de Judicial Alliteration Award in het leven riep en deze gelijk aan de Supreme Court-rechter Neil Gorsuch toekende voor diens opinion in Henson v. Santander Consumer USA ) over o.a. de opdringerige marketingtechnieken van Santander waarin hij schrijft: Disruptive dinnertime calls, downright deceit […] drew Congress’s eye to the debt collection industry. From that scrutiny emerged the Fair Debt Collection Practices Act. Iets wat Steven Mazie van The Economist prompt aanzette tot de baas-boven-baas-tweet Gorsuch goes gaga for alliteration in opening line of 1st #SCOTUS op. Of die prijs daarna nog eens is gegeven, is onbekend.

En wie herinnert zich niet de zin van Johnnie Cochran, de advocaat van O.J. Simpson die in de zaak tegen ex-basketbalspeler naar voren bracht dat the prosecution’s evidence is
compromised, contaminated, and corrupted
? Gevleugelde woorden.

In Nederland komen we er een beetje bekaaid van af. Bij Houthoff schijnt een allitererende advocaat (op zich al allitererend aardig) te werken, maar de werkelijke wettige
werkzaamheden schijnen weerbarstiger te zijn. Verder voeren we in dit land alleen maar rechtszaken tégen alliteratie. Tegen “Grenzeloos Genieten”, bijv. Of tegen de slagzin “Het beste voor Baby’s Billetjes” van Billies Baby luiers waarvan de Presi­dent van de Rechtbank te Rotterdam de creativiteit er niet inzag: “Wij kunnen in de slagzin van eiseres niet zozeer een werk van letter­kunde, wetenschap of kunst onderken­nen. Daarvoor mist deze zin toch de nodige originaliteit”. Dan is de eerste bekende rechterlijke uitspraak over auteurs-
rechtelijke bescher­ming van een alliteratie (van de arrondissements­recht­bank te Den Haag uit 1966) misschien nog het mooist: twee partijen die vechten om de slagzin “Bevrijdt uw auto – vliegensvlug – van vastge­vlogen insecten”, .

En hoewel Yale Law School professor Fred Rodell al in 1962 over zijn eigen werk in Goodbye to Law Reviews–Revisited al schreef: A quarter century has wrought no revolution among the professional purveyors of pretentious poppycock,  is het toch het leukst om hier en daar een goed voorbeeld van onopzettelijke alliteratie tegen te komen. Zoals bijv.  in de Texaanse Voedsel- en Warenwet (25Tex.Admin.Code§241.69) over het pellen (=to shuck) van
garnalen: Shellfish shall not be subjected to contamination while being held or processed. Shellstock to be shucked shall be stored in such locations that contamination from standing water or splash from foot traffic does not occur….Only safe and wholesome shellfish shall be shucked.

Mooier kunnen we het niet maken.

What’s in a language? (50)

Op deze plaats heb ik al een aantal malen geschreven over taalverandering en over hoe bang of juist hoe gelukkig we daarover moeten zijn. Lees bijv. hier of hier.  Nou is dat
natuurlijk niet alleen een Nederlands stokpaardje. In Engeland bijvoorbeeld waarschuwt  de voorzitter van de Plain English Campaigh, Marie Clair in the Daily Mail: “There is a
worrying trend of adults mimicking teen-speak. They are using slang words and ignoring grammar. Their language is deteriorating. They are lowering the bar. Our language is flying off at all tangents, without the anchor of a solid foundation
”. Ook de Queen’s English Society vecht al tientallen jaren voor het behoud van de Engelse taal zoals we die kennen: “Some changes would be wholly unacceptable, as they would cause confusion and the language would lose shades of meaning” schrijft de Society op haar, overigens erg vermakelijke en
informatieve, website.

Je kan makkelijk een aantal redenen bedenken waarom er, op het oog, meer Engelse verzuchtingen over zgn. taalverloedering zijn dan Nederlandse. Het Engels is ouder; in Engeland bestond er veel eerder een hofcultuur waar “taal” en “taalgebruik” veel
belangrijker werden gevonden; de Engelsen hadden veel meer last, dan wel profijt, van
talige invloed van hun koloniën; In Engeland is taal een stuk belangrijker in wetgeving en rechtspraak (“de letter van de wet”) dan in Nederland (waar “de geest van de wet” een veel grotere rol speelt); Engels als voertaal is veel belangrijker in de hele wereld; en ga zo nog maar even door.

Genoeg redenen dus om je op te winden over de teloorgang ervan. En zich opwinden over taalverloedering doen de Engelsen al minstens vanaf het jaar 1380 toen John Trevisa  een in het Latijn geschreven werk van de Benedictijner monnik Ranulf Higden  in het Engels vertaalde: “By intermingling and mixing, first with Danes and afterwards with Normans, in many people the language of the land is harmed, and some use strange inarticulate utterance, chattering, snarling, and harsh teeth-gnashing”.

Het was dan ook een echte ‘oogopener’ om het boek Don’t Believe a Word: The Surprising Truth About Language  van David Shariatmadari te lezen. Shariatmadari schrijft regelmatig voor de Britse krant The Guardian over taal en in dit boek weerlegt hij één voor één de sprookjes over vermeende taalverloedering. Eigenlijk komt het erop neer dat er niks te vrezen of te juichen valt: taal verandert, of je het nu leuk vindt of niet.

En taal verandert niet alleen omdat er andere woorden of uitdrukkingen ontstaan, maar ook omdat de grammatica verandert. Een mooi voorbeeld dat hij in het boek geeft, is het Engelse will, de (huidige) standaardaanduiding van de toekomende tijd in het Engels. Het gaf ooit verlangen en intentie aan. Het Engels I will betekende ooit “ik wil, ik wens” (als het Nederlandse “willen” dus). Nog steeds bestaat dat in het Engelse if you will (“als je wilt/
verlangt”). Maar omdat verlangens hoop voor de toekomst zijn, werd dit veel voorkomende werkwoord geleidelijk aan eenvoudigweg gezien als een toekomst-aanduider. Het verloor zijn échte betekenis en werd slechts een grammaticaal deeltje. De oorspronkelijk toekomst-aanduider, shall, verloor eveneens zijn betekenis en kreeg (of liever gezegd: zou, met name in juridische teksten als contracten e.d., moeten krijgen) meer de betekenis van “moeten”.

En daar ligt precies het probleem met een zichzelf steeds vernieuwende taal, of, meer in het bijzonder, een zichzelf steeds vernieuwend Engels. Engels is namelijk de taal van het common law-rechtssysteem; een systeem met een heel stelsel gewoonterecht waar
jurisprudentie leidend is; bij wetsvorming en rechtszaken wordt uitgegaan van eerder gedane gerechtelijke uitspraken in gelijksoortige zaken (de zgn. decisions). Bij iedere nieuw aangespannen rechtszaak wordt uitgegaan van het principe dat gelijksoortige rechtszaken behandeld moeten worden volgens consistente regels, zodat ze tot een gelijksoortig
resultaat leiden.

Maar wat nu als de taal verandert (wat-ie, volgens David Shariatmadari, voortdurend en onvermijdelijk doet), maar  in gerechtelijke beslissingen tegelijkertijd móét worden meegenomen wat de betekenis was vóór die veranderingen? Zie de, letterlijk honderden, rechtszaken over wat shall of will betekent in, bijvoorbeeld, contracten…

What’s in a language? (49)

Daar dacht u misschien dat u uw Legal English prima op orde had. De Engelse grammatica is onder knie. Uw Engelse zinsbouw is nagenoeg perfect. Uw woordkeuze is prima. U slaat de juiste toon aan bij de daarbij passende lezers. U kent de verschillende kenmerken van Civil Law en Common Law, dus weet u dat woorden er in het Legal English er meer toe doen dan in het Juridisch Nederlands. Uw interpunctie is in orde. U schrijft uw Letters of Recommendation informatief, kort, bondig en to the point. Uw Engelstalige contracten zijn éénduidig, nooit is daar maar één rechtszaak over aangespannen. En u heeft de laatste 257 Branch Out Legal English Blogs gelezen. Kortom, één dik, vet Facebookduimpje!

Maar dan beginnen ze over het lettertype!! Tenminste… “ze”? Het Hof van Beroep in het District of Columbia (zeg maar het centrum van de macht: Washington) ook wel de 9th Circuit genoemd, deed op 16 maart 2021 een belangrijke aankondiging aan procederende partijen: gebruik geen Garamond… (het lettertype, ja) maar liever Century of Times New Roman. Het is strikt genomen geen regel maar meer een “advies”, een advies dat u maar beter op kan volgen. Volgens deze aankondiging wordt het gebruik van het lettertype Garamond in juridische documenten “sterk ontmoedigd”, zeg maar: verboden.

Het probleem schijnt allereerst de leesbaarheid van het kleinere Garamond te zijn. Hoewel de federale regel van beroepsprocedure 32 (a) (5) al vereist dat alle lettertypes .14 moeten zijn. Anderen wijzen op de onleesbaarheid van cursivering in Garamond. Ook schijnt het paragraafsymbool (§) in Garamond moeilijk leesbaar te zijn en dat symbool wordt toevallig erg vaak gebruikt juridische stukken. Zo wordt Title 16 of the United States Code Section 580p in het kort: 16 U.S.C. § 580p.

Overigens is het hier misschien handig te vermelden dat het “§” in het Engels een section sign heet, en met paragraph (= het Nederlandse “alinea”) het ¶-teken wordt aangegeven en dan weer juist paragraph sign heet. Met andere woorden als Nederlanders zeggen “Artikel 12 van…” is dat in het Engels: Section 12.

Maar goed, paragraph, section, alinea of wat dan ook… Garamond is wél een stuk zuiniger in het gebruik. In 2014 stelde een student uit Pennsylvania het lettertype voor als een kostenbesparend, printerefficiënt lettertype waarmee de overheid ongeveer U$ 400 miljoen per jaar aan afdrukkosten zou kunnen besparen (lees hier).

Natuurlijk zijn lettertypes vaak het onderwerp van onderzoek is geweest. Zo leert een Princeton-studie uit 2010  dat lezers juist aanmerkelijk meer informatie onthielden als die informatie in een “lelijk”, of “ongebruikelijk” lettertype werd gepresenteerd, zoals bijv. Monotype Corsiva or Haettenschweiler (dit fenomeen wordt in de psychologie disfluency genoemd).

Ook zijn er genoeg onderzoeken (deze bijvoorbeeld) die uitwijzen dat lezers een tekst
serieuzer nemen als het in een “serieus” lettertype (zoals in het bijzonder: Baskerville) staat en een heel stuk minder als een minder serieus lettertype (zoals bijv. Comic Sans) wordt gebruikt.

En dan heb ik het nog niet eens over verder onderzoek naar lettertypes (schreef of
schreefloos, typeface, paginagrootte, inktkleur, de x-hoogte, basislijn, interlinie, marges. de hoeveelheid witruimte en lettergrootte. Ga hier naar een kort overzicht. Daar zie je
overigens ook een groot verschil tussen de VS en Europa; lettergrootte .14 is min of meer standaard in de VS, terwijl .12 in Europa al als zó groot wordt gezien dat die alleen voor kopjes in een tekst wordt aanbevolen…

In ieder geval heeft het Hof van Beroep in DC geen zin meer in die Garamond. Een échte
reden wordt niet gegeven, maar de complottheoretici hebben al een behoorlijk aantal
redenen gevonden: niet alleen de lettergrootte staat namelijk vast in juridische stukken (namelijk .14), ook het aantal pagina’s is aan restricties onderworpen, namelijk, afhankelijk van welk document: tussen de 15 en 35 pagina’s. ). En hoe minder er in zo’n juridisch
document staat, hoe makkelijker het wordt om een hoger beroep te verwerpen. Met Garamond kan je heel wat meer vertellen op 25 pagina’s dan met Times New Roman. (Ter vergelijking: een tekst die in Times New Roman 25 pagina’s in beslag neemt, kost in Garamond 21 pagina’s). Of anders, zo twittert Sean Marotta, partner van Hogan Lovells, de lettertypepositie van het DC Circuit is een subtiele manier om het personeel van de Civil Appellate van het Amerikaanse ministerie van Justitie (vaak de tegenstander in dit soort
zaken) voor gek te zetten, als een institutie die semi-famously uses Garamond in its briefs.

En als u nu mocht denken dat het een uniek verschijnsel is dat rechtbanken zich met lettertypes en –groottes bemoeien, dan heeft u het mis. Het Supreme Court vraagt advocaten hun stukken in Century aan te leveren; het Hof van Beroep voor het 7th Circuit (in de staten Illinois, Indiana en Wisconsin) heeft een hartgrondige hekel aan Times New Roman (a font useful only for “a quick read”. Lawyers don’t want their audience to read fast and throw the document away; they want to maximize retention). Lees hier. En dit terwijl het State Department (het Amerikaanse Ministerie BZ) juist besloot om alleen maar in Times New Roman te publiceren…

Dus ja, alleen maar perfect Legal English beheersen is lang niet genoeg. Er komt nog veel meer bij kijken! Diepe zucht…

What’s in a language? (48)

Valse Vrienden, False Friends: woorden of zegswijzes die in twee talen hetzelfde lijken of klinken maar iets totaal anders betekenen.

Zo is het Engelse brutal niet het Nederlandse ‘brutaal’, en administration is niet
‘administratie’, etc. (voor meer Engels-Nederlandse False Friends klik hier). Of, op juridisch gebied, zijn Nederlandse ‘statuten’ geen Engelse statutes, wat je zou kunnen denken, maar Articles of Association, een Engelse curator is niet de Nederlandse curator maar een
bankruptcy trustee, zo zijn considerations geen ‘overwegingen’ maar een juridisch concept dat bij ons met prestatie-tegenprestatie zou kunnen worden aangeduid en verwijst
misrepresentation  niet naar onbevoegde vertegenwoordiging maar is een mededeling die niet juist is, wat wij ‘dwaling’ zouden kunnen noemen.

Meer voorbeelden? Het Nederlandse ‘concept’ is niet het Engelse concept. Een
‘conceptovereenkomst’ is derhalve een draft contract; het Engelse concept is veeleer ‘een begrip’. De Nederlandse ‘procedure’ is niet, wat je zou kunnen verwachten, procedure, maar (legal) proceedings. Voor een procedure ga je namelijk naar medisch onderlegden.  En wat Nederlanders onder ‘jurisprudentie’ rekenen is in het Engels meer iets als precedent of case law. Het Engelse jurisprudence bestaat verwarrend genoeg wel, maar betekent meer wetstheorie of -filosofie.

Maar dit zijn woorden in twee talen (Nederlands en Engels, dus). Iets ingewikkelder wordt het bij False Friends in één en dezelfde taal: Brits-Engels en Amerikaans-Engels. George Bernard Shaw verzuchtte al eens dat “England and America are two countries separated by a common language“. En dat gaat ook vaak ook op voor British Legal English (BLE) en American Legal English (ALE).

Audience is een mooi voorbeeld. Het betekent natuurijk ‘publiek’, maar in het ALE betekent het nooit the right of a lawyer to appear and plead in court maar in het BLE heeft het wél die betekenis: right of audience. Een ‘inval van de politie’ is een dawn raid in BLE, dezelfde actie heet een search and seizure in het ALE.

Als je in Engeland een advocaat inschakelt, dan is dat: to instruct a lawyer, als je iets dergelijks in de Verenigde Staten wil doen, dan doe je er beter aan om te zeggen: to hire, of to engage a lawyer. Diezelfde lawyer zal in een rechtszaal een eindpleidooi houden, een Amerikaans jurist voert dan a closing argument terwijl zijn Britse tegenhanger a closing speech voert.

Met name de Britten winden zich nogal op over deze -in hun ogen- ‘diefstal’ van begrippen, maar nog veel erger vinden zij dat ook de rechtbankmores onder invloed van (voornamelijk Amerikaanse) rechtbankseries op televise veramerikaniseren. Tenminste, op
televisie…

In tv-series (door Amerikanen gemaakt, maar spelend in Engeland) worden steeds vaker getuigen opgeroepen om to take the stand (ALE) naar dat verhoginkje in de rechtszaal te gaan dus. Alleen… Engelse rechtbanken hebben helemaal geen verhoginkje! In
werkelijkheid worden getuigen opgeroepen om to go into the (witness) box (BLE). In diezelfde series wordt ze dan gevraagd om to testify (ALE), in de werkelijke Britse rechtbankwereld wordt ze gevraagd to give evidence (BLE).

Op onder verdachte omstandigheden overleden personen wordt een post-mortem (BLE) uitgevoerd, op televisie is dat een autopsy (ALE) geworden. Gescheiden ouders betalen nu op tv alimony (ALE), terwijl een aantal jaren geleden dat nog maintenance (BLE) was. Een parole (voorwaardelijke vrijlating) gold in Engeland alleen voor soldaten die in een oorlog door de vijand gevangen genomen werden en werden vrijgelaten als ze plechtig beloofden niet meer de wapens op te nemen. Onder invloed van de Amerikaanse rechtspraak (of waren het de Amerikaanse tv-series?) werd dit woord vanaf het midden van de jaren ’60 ook voor veroordeelde gevangenen gebruikt. Tot rond de laatste eeuwwisseling was to
appeal
  een intransitief werkwoord (een werkwoord dat geen lijdend voorwerp nodig heeft), en werd het in combinatie met het voorzetsel against gebruikt, to appeal against (BLE) dus, nu niet meer. Voor de Brexit zei Theresa May nog (in relatie tot die Brexit): “We’re appealing the High Court decision”, terwijl dat 15-20 jaar geleden “We’re appealing against the High Court decision” was geweest.

Taal verandert, zélfs als de omstandigheden hetzelfde blijven.

What’s in a language? (47)

“Waarom zijn Amerikaanse (of liever gezegd: Anglo-Amerikaanse) contracten vaak zo lang?”, verzuchten deelnemers aan Branch Out-trainingen Drafting Better Contracts in English vaak. Ons standaard antwoord is dan steevast dat Anglo-Amerikaanse contracten proberen een breed scala aan onvoorziene omstandigheden aan te pakken om zodoende eventuele gerechtelijke geschillen te voorkomen of anders zelfs om sterker te staan tijdens zo’n geschil.

Contracten onder civil law (geldig voor de meeste Europese landen) zijn inderdaad vaak zo’n derde tot de helft korter dan (met name) Amerikaanse contracten en overeenkomsten. En inderdaad, vooral omdat Europese contracten niet de behoefte voelen om elke
eventualiteit aan te pakken. Want de meeste van die zgn. eventualiteiten liggen immers al vast in burgerlijke wetboeken, dus waarom dat ook nog eens allemaal in een overeenkomst te vermelden?

Daaraan ten grondslag ligt ook het civil law-principe van “goede trouw” (ofwel ook: Treu und Glaube/buona fede/bonne foi etc.), terwijl in common law-systemen de partijen veel meer gedwongen worden om een eigen uitgangspositie te zoeken. Elke partij is op zoek naar een voordeel ten opzichte van de andere en houdt de kaarten tegen de borst in een poging ervoor te zorgen dat zíj het in ieder geval niét zijn waarvan wordt geprofiteerd. En hoewel dit een goede basis vormt voor veel Hollywoodfilms, mondt deze combinatie van agressie en voorzichtigheid vaak uit in een extra contractuele woordenstroom (lees meer hierover in het artikel Comparative Analysis of New Differences in Legal Cultures door Alberto M. Musy).

Het ontbreken van een algemene plicht van goede trouw kan waarschijnlijk het beste
worden omschreven als een illustratie van de Engelse houding om de wet als een op zichzelf staand domein te zien, als een wereld die zich onderscheidt van het bedrijfsleven en de politiek. Engelse rechters houden er niet van hun bevoegdheid te gebruiken om te bepalen of de partijen te goeder trouw hebben gehandeld of niet.

Het is natuurlijk verleidelijk om hier allerhande culturele verklaringen op los te laten (de VS als een veel competitievere samenleving als de Europese, Europa -wat dat dan ook mag zijn- als een samenleving waar veel meer wordt omgekeken naar de zwakkeren, Groot-Britannië daar zo’n beetje tussenin etc. etc.). En dat is dan ook vaak gedaan, zie bijv. F. Trompenaars & P. Wooliams, Business across cultures of G. Hofstede, Cultures and
organizations: software of the mind
. Alleen loop je dan al snel het risico in een soort zwartepietendiscussie te verzanden: is Zwarte Piet een onderdeel van de nationale cultuur of gewoon racisme?

In de tussentijd zie je dat het onderscheid steeds meer vervaagt; Anglo-Amerikaanse
kantoren brengen hun stijl van praktijk, waaronder contracten in Anglo-Amerikaanse stijl, steeds vaker naar civielrechtelijke landen en aan de andere kant weten “Europese”
kantoren hun (vnl.) Amerikaanse tegenhangers wel te overtuigen niet ál te “Amerikaans” over te komen. Het eind van het hele verhaal (hoewel we daar nog lang niet zijn) zal er wel op neerkomen dat het vooral een verschil is van “toon en stijl”. En laten we niet vergeten dat de Plain English-movement vooral in de Verenigde Staten steeds belangrijker wordt en de vereuropeanisering in de kaart speelt. Overigens, ga voor een prima overzicht (en meer) van die “toon en stijl” naar de zeer lezenswaardige We Agree-site van Willem Wiggers. Of naar deze en deze Branch Out Legal English blogposts waar ook Anglo-Amerikaanse
contracten worden besproken.

Maar laten we eerlijk zijn, ondertussen spinnen wij van Branch Out hier een redelijke klos garen bij. Verreweg de meeste contracten die Nederlandse juristen in het Engels schrijven zijn, natuurlijk, contracten onder Nederlands recht. We spreken echter regelmatig
advocaten die zeggen dat hun Amerikaanse opdrachtgever graag zien dat hun contracten er “Amerikaans(er) uitzien”. En dan kan je wel zeggen dat dat juridisch gezien helemaal niet hoeft, maar als het niet baat, dan schaadt het (meestal) ook niet, nietwaar?

Bovendien vertonen veel door Nederlanders in het Engels geschreven contracten nog veel te vaak allerlei grammaticale en lexicale onbegrijpelijkheden en onduidelijkheden die
ambiguïteiten opleveren waar wel degelijk over geprocedeerd kan worden. Contractuele taal blijft contractuele taal, of dat nou Engels is of Nederlands.

East is East, and West is West, and never the twain shall meet schreef Rudyard Kipling (toegegeven, niet met contractuele taal in het achterhoofd, maar goed… én, grammaticaal puntje: let nog even op die komma’s voor and). Maar we kunnen wél ons best doen.

What’s in a language? (46)

Vorige week schreef ik hier over congruentie tussen onderwerp en werkwoord. Ik schreef argeloos: “…het Engels heeft maar twee verbuigingen van werkwoorden, nl. mét een -s voor de derde persoon enkelvoud (he, she, it workS) en helemaal niks voor alle andere
personen (I, you, we, they work) terwijl het Nederlands er drie heeft (geen, een -t, of -en)”.

Prompt kwamen twee lezers met de opmerking hoe dat dan zit in bijvoorbeeld:
I recommend that she contact (en dus niét: contactS) your agent of ook: I suggest that your client pay (en dus niét: payS) immediately. En daar hadden ze groot gelijk in. Alleen… we hebben het in deze gevallen over de zgn. Subjunctive (in het Nederlands: de conjunctief of
‘aanvoegende wijs’).

De Subjunctive is een werkwoordsvorm die een wens, aanbeveling, toegeving, aanwijzing, suggestie of aansporing uitdrukt. In hedendaags Nederlands is het gebruik ervan goeddeels verdwenen. Bij ons blijft het conjunctiefgebruik beperkt tot vaste uitdrukkingen (zoals: ’het ware beter als’, ‘kome wat komt’, ‘koste wat het kost’, ‘zo waarlijk helpe mij God’, ‘leve de koning!’, etc.).

Hoewel steeds minder gebruikt, is de Subjunctive in het Engels echter nog springlevend. En omdat aanbevelen, adviseren en voorstellen nu precies datgene is wat juristen bovenmatig veel doen, is de Subjunctive met name in het Legal English een vaak voorkomende
stijlvorm. Je kan de Subjunctive gebruiken ná werkwoorden als: to advise (that), to ask (that),  to command (that), to demand (that), to desire (that), to insist (that),  to propose (that), to recommend (that), to request (that), to suggest (that) en to urge (that) of anders in de buurt van daarvan afgeleide uitdrukkingen, zoals It is crucial (that), It is desirable (that), It is essential (that), It is imperative (that), It is important (that), It is recommended (that) of It is urgent (that) etc.

Met de Subjunctive gebruik je een ongebruikelijke werkwoordsvorm om de aandacht te vestigen op iets buitengewoons. Je gebruikt een onverwachte werkwoordsvorm, die
onjuist is in normaal gebruik, om de aandacht te vestigen op het feit dat je iets ongewoons zegt. Het gaat over mogelijkheden, verlangens, veronderstelde dingen, vaak in strijd met de feiten. Je kan de Subjunctive gebruiken om verlangen te suggereren, en we zien dit vaak in bijvoorbeeld inleidingen van een (Engelstalig) pleidooi als de advocaat stelt dat de gedaagde de rechtbank verzoekt zijn motie tot verwerping toe te wijzen: Defendant
requests that this
court grant her motion to dismiss, In dit geval zouden we bij een derde persoon – deze rechtbank – een werkwoord hebben dat eindigt op s (grantS). Deze zin is echter met de Subjunctive geschreven en drukt een verlangen uit.

Ook kan de Subjunctive worden gebruikt om een ​​mogelijkheid, twijfel of een voorwaarde uit te drukken. Als je een alternatief moet argumenteren, kan je Subjunctive gebruiken om op subtiele wijze aan te geven dat je twijfelt over een standpunt. Stel dat je zojuist een deel van een argument hebt afgerond maar toch moet je het alternatief aanpakken. Op een gegeven moment zou je kunnen zeggen/schrijven: If the Court were to hold for Defendant, there would be no justice for injured plaintiffs. Je ziet de Subjunctive hier aan het werk
omdat het vervoegde werkwoord to be niet past bij het onderwerp the Court. Door de Subjunctive te gebruiken, kan je twijfel tonen dat de rechtbank in feite voor de andere kant zal gaan. Het is subtiel, maar het kan effectief zijn.

Móét je dan altijd die Subjunctive gebruiken als je bovengenoemde werkwoorden (van
advise t/m urge) gebruikt? Nee, dat hoeft natuurlijk niet. Je kan die Subjunctive prima
vervangen met een -ing vorm van het werkwoord: I recommend paying…, of gebruik de twee persoon: you: I recommend that you pay your client. Schrijf echter NOOIT:
I recommend/suggest (etc) you to follow your lawyer’s advice. Dat is pure, oversneden Dunglish en een directe vertaling van het Nederlandse: ‘Ik raad u aan het advies van uw
advocaat TE volgen’.  Gebruik in die gevallen altijd: that, dus I recommend that

En ja, het al dan niet gebruiken van de Subjunctive is natuurlijk aan de schrijver. Ken Adams geeft in een van z’n blogs over Contract English de volgende voorbeelden: 1) If the Borrower be in default… 2) It is a condition that the Buyer have received… 3) If X requires that Y pay the purchase price in dollars… 4) The Company recommends that X retain a lawyer. Allemaal terechte (en correcte) Subjunctives. Toch zegt hij dat 1) en 2) eigenlijk beter gewoon is en has kan zijn omdat een be en have wel érg archaïsch overkomen. 3) en 4) echter, drukken duidelijk resp. een vereiste en een aanbeveling uit; iets dat door het
gebruik van de Subjunctive nog eens extra wordt benadrukt.

Meer over de Subjunctive? Ga naar Correctness 3 of naar Correctness 17.

What’s in a language? (45)

Om heel eerlijk te zijn had ik me voorgenomen om geen letter meer over corona te
schrijven. Maar het Covid-19 virus beïnvloedt zo zeer alle aspecten van ons sociale en
professionele leven dat de taal die we gebruiken om de wereld om ons heen te beschrijven en te duiden, niet achter kán blijven. En ‘taal’ (of meer in het bijzonder: de Engelse taal) is nu juist het onderwerp van deze blogschrijverij. Het Legal in deze Legal English Blog speelt deze keer geen enkele rol. Sorry!

In zijn veel geciteerde artikel over linguïstische creativiteit (Common language: corpus,
creativity and cognition
) maakt Ronald Carter, voormalig hoogleraar moderne Engelse taal aan de Universiteit van Nottingham, het punt dat verbal play is often undertaken for
humorous purposes, serving in part to bring people closer together, as well as challenging the ‘normal’ view of things
. Carter beweert verder dat inventieve taal niet alleen decoratief is, maar ook vooral ook praktisch. Het geeft mensen een handvat om om te gaan met voor hen onbegrijpelijke gebeurtenissen. Dat dat nodig is zegt ons bijv. de Telegraaf die afgelopen week kopte: “Persconferentie Rutte niet te volgen voor laaggeletterden” wat gelijk beantwoord werd door de Stichting Lezen en Schrijven met een hertaling van de
persconferentie.

U kent misschien het door Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke van Dale,
bijgehouden Coronawoordenboek (zo niet, klik hier)  waar hij al meer dan 700 woorden verzamelde, maar ook in Engeland doet men z’n best. Normaalgesproken publiceert de Oxford Dictionary ieder kwartaal een lijst met nieuwe Engelse woorden. De stortvloed aan nieuwe, coronagerelateerde, woorden is zó groot dat de redactie is overgegaan op een maandelijkse update. Klik hier voor de update van de maand april.

Den Boom zegt dat het Nederlands (en het Duits) zich bij uitstek leent voor de creatie van nieuwe woorden omdat je in het Nederlands makkelijk samengestelde woorden kan maken. Ruim 90 procent van de nieuwe woorden is zo’n samenstelling (bijv: anderhalvemetersamenleving). Dat mag dan wel zo zijn, andere talen hebben allemaal hun eigen manieren.  En het opmerkelijke eigenlijk is dat niet alleen andere “talen”, maar ook andere “taalvariaties” zo hun eigen creatieve oplossingen hebben.

Het Australisch-Engels bijvoorbeeld kenmerkt zich door het veelvuldig gebruik van
afkortingen (snaggas on the barbie, voor sausages on the barbecue, en ga zo maar door). Hier en daar zie je als verklaring voor dit fenomeen dat Australiërs dan hun mond niet zo vaak open te hoeven doen zodat er geen insecten naar binnen kunnen vliegen. Maar hoe het ook zij: (to) sanny voor hand sanitiser of wat je daar mee doet, (to) iso voor isolation of to isolate, isobar voor de hoeveelheid drank tijdens je iso, isodesk waar je aan werkt tijdens je iso, (to) quaz voor (to) quarantine etc. Corona zélf wordt gewoon rona genoemd wat de weg baant voor o.a. ronadobbing (to dob someone in = iemand aangeven) voor het
verklikken van sinds kort illegale bijeenkomsten. Wat overigens een mooie Nederlandse tegenhanger heeft: coronazi.

Rona klinkt bovendien al weer een stuk schattiger en minder bedreigend. Het Londense cockney-Engels doet daar weer een stapje bovenop door corona Miley Cirus te noemen
(rijmt op corona virus). Dat ontwikkelt zich vanzelf verder zodat een coronageval nu
makkelijk a case of the Mileys wordt genoemd.

Meer lezen hoe veel talen omgaan met Covid-19? Lees dit artikel uit The Economist waar zowaar het Nederlandse “hamsteren” op de eerste plaats staat. En mocht u een fervent emoji-gebruiker zijn, ook emoji speak heeft zo z’n oplossingen in deze tijd.

Language is a virus zong Laurie Anderson al. Blijf Gezond!

What’s in a language? (44)

Nu door corona-perikelen veel bedrijven niet meer aan hun contractuele verplichtingen kunnen (of ook: mogen…) voldoen, is het misschien weer eens tijd om op te zoeken wat hier ook al weer over in het contract stond.

En dat is bij contracten die vallen onder civil law een stuk eenvoudiger dan bij contracten die vallen onder common law; de common law hanteert namelijk andere uitgangspunten bij het opstellen van contracten. Er zijn geen (in een burgerlijk wetboek vastgelegde) regels die voor partijen als uitgangspunt dienen. Bij een geschil moet de common law-rechter het doen met wat de partijen in hun contract zijn overeengekomen; hij kan het contract niet toetsen of interpreteren aan de hand van in de wet vastgelegde, algemene regels. En bovendien kent de common law geen algemeen beginsel van redelijkheid en billijkheid dat een rechter kan hanteren. In  de hier nog eens te lezen blog hebben we het daar al eens over gehad.

In het Anglo-Amerikaanse recht moeten de partijen álles wat van belang is voor de
contractuele verhouding binnen het contract zelf vastleggen. Vandaar dat je vaak zgn. Force Majeur-clausules ziet opgenomen in common law-contracten. Volgens  Black’s Law Dictionary: An event or effect that can be neither anticipated nor controlled; esp., an
unexpected event that prevents someone from doing or completing something that he or she had agreed or officially planned to do.
En krijg je opsommingen als: … If, by reason of any cause beyond the reasonable control of either party hereto, including, but not limited to, strikes, failure of major subcontractors, fire, hurricane, flood or other acts of God, accidants, wars, acts of terrorism, civil unrest, embargo or other governmental act, regulation or
request, or other legal restricitions
etc.

Met name Anglo-Amerikaanse advocaten in hun juridische zucht tot volledigheid (en hun instinctieve dwangmatigheid tot copy-paste) weten die befaamde Lijst van Boze Dingen steeds maar weer uit te breiden.. Maar je kan zo veel boze dingetjes in je lijst opnemen als je wilt (Zonnevlammen? Vloedgolven? Lawines? Neerstortend ruimtepuin?), de Grote Boze Buitenwereld weet er altijd wel meer te verzinnen. Daarom wordt zo’n lijstje vaak ook nog eens afgesloten met een slag-om-de-arm-zinnetjes als including, but not limited to… zoals in bovenstaand voorbeeld of anders: …or any other cause not enumerated herein but which is beyond the reasonable control of the Party whose performance is affected. Hetgeen bij rechterlijke uitspraken dan weer kan leiden tot een “ejusdem generis”-probleem; een interpretatieprincipe dat stelt dat wanneer een algemeen woord of zin volgt op een lijst met bijzonderheden, het algemene woord of de zin zal worden geïnterpreteerd om alleen items van dezelfde klasse als de vermelde te bevatten. Zie bijv. Kel Kim Corp. v. Central. Markets Inc. waar de rechter oordeelde Ordinarily, only if the force majeure clause
specifically includes the event that actually prevents a party’s performance will that party be

excused.

Ken Adams stelde ooit in deze blog dan ook om áls je besluit om een Force Majeure-clausule op te nemen, het geheel kort en bondig af te doen met een any event or
circumstance, whether or not foreseeable
.En als dat tot onduidelijkheid mocht leiden, laat het dan een rechter over om hier duidelijkheid in te scheppen. Dezelfde rechter die er toch al aan te pas moest komen om duidelijkheid te scheppen in wat nu wél en wat nu niét
onder de Force Majeure-clausule had gevallen: alleen de elementen op de Lijst der Boze Dingen of toch weer een gevecht aangaan met het ejusdem generis-principe.

“Taal” mag dan wel het voornaamste wapen van een jurist zijn, die hele Force Majeure-clausule laat tegelijkertijd ook goed de machteloosheid van taal zien, of liever gezegd de machteloosheid om “dé werkelijkheid” weer te geven. Je kunt nu wel aardbevingen (earthquakes) in je Force Majeure-clausule opnemen, maar wat nu als je schade hebt geleden door een aardverschuiving (earthslide)? Of als de aardverschuiving is veroorzaakt door een aardbeving? Lees hier nog eens.

Hetzelfde voltrekt zich nu bij het corona-virus. Is dit een zgn. Act of God (ofwel: a natural hazard outside human control, volgens Black’s Law Dictionary). Of moeten mensen gewoon geen vleermuisflensjes of gebarbecuede schubdieren eten? Bovendien verspreiden wij het virus gewoon zelf door niet goed genoeg bijv. RIVM-richtlijnen op te volgen. Kunnen
contracten niet meer worden nageleefd omdat we juist goed naar die RIVM-richtlijnen
luisteren, of maakt de overheid het ons juist onmogelijk door bepaalde verboden?

Force Majeure en corona… hierover buitelen op dit moment artikelen en blogs van Engelstalige advocatenkantoren over elkaar heen. De lijst is moeiteloos uit te breiden, maar hier zijn er drie: Shearman & Sterlling,   McDermott Will & Emery  met een nadruk op Amerikaanse contracten, DLA Piper met een nadruk op Europese contracten. De zaak wordt nóg iets lastiger als je weet dat het Amerikaanse contractenrecht zich meestal op het niveau van State Law afspeelt.

Tot nu toe komen de woorden epidemie, endemie of pandemie (wat is hier eigenlijk het verschil?) nog niet overdreven vaak voor in de Lijsten der Boze Dingen in contracten, maar iets zegt me dat we daar niet heel lang meer op hoeven te wachten…

 

What’s in a language? (43)

Rechtbanktolken zitten in een moeilijk parket (pun not intended). Afgelopen januari staakten zo’n 1.500 beëdigde tolken en vertalers met als voornaamste reden het programma ‘Tolken in de Toekomst’ van minister Grapperhaus. Met dat programma wordt het ‘Register beëdigde tolken en vertalers’  binnenkort opengesteld voor  tolken met een lager taalniveau. De versoepeling van de kwaliteitseis is volgens de minister nodig vanwege een tekort aan beschikbare tolken.

Tolken moeten nu voldoen aan taalniveau C1. Als het register wordt opengesteld is taalniveau B2 voldoende om als tolk te werken voor de overheid. Volgens woordvoerder Ani Getcheva van de Actiegroep Registertolken en -vertalers “is B2 een veel te lage standaard. Het staat gelijk aan de beheersing van een vreemde taal op havo eindexamenniveau”.

Nog even afgezien van die (zeer terechte) bedenkingen hebben rechtbanktolken sowieso een bijna onmogelijke taak; “de Wet” is namelijk in essentie niet te vertalen want de taal van het recht is een naar zichzelf verwijzend systeem. De woorden van de wet mogen dan  wel vaak líjken op woorden van de taal die u spreekt, maar als het juridische termen zijn, zijn ze dat niet. Je kan best een goed idee hebben van wat murder is, maar murder in the first degree, murder in the second degree, manslaughter, homocide of colleteral damage zijn juridische verfijningen waar een dode niet minder dood van wordt.

Juridische systemen hebben van elkaar verschillende geschiedenissen, andere normen, andere verschillen, andere waarden, andere manieren. Zelfs als de taal van verschillende juridische systemen hetzelfde is (of liever gezegd: lijkt), is de terminologie niet onderling uitwisselbaar. Vergelijk het Engelse systeem en de bijbehorende woorden bijvoorbeeld maar eens met het Schotse. Het is allebei Engels, maar daarmee houdt het wel zo’n beetje op…

Misschien moet minister Grapperhaus eens gaan kijken hoe andere landen dit oplossen. En dan met name landen die pas écht een probleempje hebben met rechtbanktolken. Zuid-Afrika heeft in de grondwet opgenomen dat al haar onderdanen het recht hebben om in hun eigen taal berecht te worden. In diezelfde grondwet staat alleen óók dat het land maar liefst 11 officiële talen heeft. Voor de liefhebbers: Afrikaans, Engels, Ndebele, Xhosa, Sesotho, Sesotho sa Leboa (= noord-Sesotho), Setswana, Swati, Tshivenda en Tsonga.

Dé autoriteit waarmee Grapperhaus dan eens een gesprekje mee zou moeten hebben is Rosemary Moeketsi. Moeketsi is Director of the School of Language and Literary Studies aan de University of South Africa (UNISA). Haar analyses van taalgebruik in een rechtszaal en hoe dit door rechtbanktolken omgezet kan (en moet) worden, zijn echte ogenopeners. Lees bijv. haar artikel in Language in the Legal Process, getiteld Understanding the Other: A case of of Mis-Interpreting Culture-Specific Utterances during Alternative Dispute Resolution 

Moeketsi staat ook aan de basis van (universitaire) opleidingen tot rechtbanktolken in Zuid-Afrika. En dat is hard nodig ook. Veel te veel zaken in Zuid-Afrika worden nu in hoger beroep behandeld omdat de beschuldigden stellen dat zij bij de eerste rechterlijke uitspraak niet de juiste tolken hadden. Zie bijv. de rechtszaak tegen Basheer Sayed en zijn Thaise echtgenoot Somcharee Chuchumporn . Met het loslaten van het taalbeheersingsniveau valt te vrezen dat Nederland ook die weg op gaat.

Andere landen met meer officiële landstalen (denk aan België, Finland, Canada etc.) hakken natuurlijk ook met dat bijltje. Alleen hebben de meeste tolken/vertalers in die landen een universitaire rechtenopleiding achter de rug en telt de onvergelijkbaarheid van rechtssystemen veel minder omdat ze dezelfde “Taal van de Wet” (de Belgische, de Finse, de Canadese) spreken, alleen in andere tongen (Nederlands-Frans, Fins-Zweeds, Engels-Frans). Met 11 officiële talen komt dat ook wel goed, het duurt alleen nog even…