Category Archives: What’s in a language?

What’s in a language? (17)

Immigranten, of zo u wilt: ‘vluchtelingen’…, waar ze ook vandaan komen, ze hebben over het algemeen één ding gemeen: ze spreken de taal niet. En iedereen is het erover eens dat het spreken van de taal een allereerste vereiste is om ergens “in te burgeren”, “zich thuis te voelen”, “deel van de samenleving” te zijn, en welke welgemeende excuses er al niet bestaan.

Nu ken ik persoonlijk heel wat Britten, Amerikanen, Fransen, Italianen en een enkele Spanjaard die al jaren in Nederland wonen en die in al die jaren, behoudens een enkele half-
slachtige poging, geen enkel woord Nederlands hebben leren spreken en die het hier toch reuze naar hun zin hebben. “Ja, expats”, zult u zeggen, “dat is wat anders. Die hebben al een baan”. Voor een groot gedeelte klopt dat (nog even afgezien van hun echtgenotes en/of echtgenoten), maar dat doet niets af van het feit dat ze geen woord Nederlands spreken en tóch een deel van de samenleving zijn (ze betalen bijv. gewoon belastingen…). Waarmee ik alleen maar wil zeggen dat economische omstandigheden óók een grote rol spelen. (Zou de weerstand tegen Syrische vluchtelingen ook bestaan als iedere Syriër een miljoen of wat euro mee zou nemen? Maar dit terzijde). Sterker nog: als je € 1.250.000,- meeneemt, hoef je helemaal niet in te burgeren (zie deze pagina van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Wél nog even op tuberculose laten testen. Écht waar!).

Onlangs lanceerde David Cameron een plan om £ 20 miljoen te steken in een project om de taalachterstand bij immigranten te bestrijden (lees hier het artikel in The Guardian). Hij deed dit in de context van het terugdringen van de radicalisering binnen de Britse moslimgemeenschap. Volgens hem spreken 190.000 moslimvrouwen in Engeland weinig tot geen Engels wat ervoor zorgt dat deze vrouwen geen volledig lid van de samenleving zijn en dus geen deel hebben aan de waarden en normen van de Britse maatschappij.

Hoera!!! Zou je kunnen zeggen (nog even afgezien van het feit dat de Britse regering de afgelopen jaren juist £ 160 miljoen had bezuinigd op deze taalachterstandswegwerk-
politiek), maar de Britse adder onder het gras zat hem in het feit dat er na 2½ jaar een taaltest zou moeten volgen en dat mensen die zakken dan teruggestuurd zouden worden naar het Land van Herkomst. Lees hier verder.

Oh, oh oh…. Taaltesten met een politiek doel… Alsof dat soort testen ervoor gaat zorgen dat mensen beter integreren in de samenleving en dat een betere integratie derhalve radicalisering stopt. De Britse The Indepent wist de hand te leggen op deze test (klik hier voor een deel van deze test: hier), en ontdek of u in Engeland zou mogen blijven. En nadat u deze test heeft gedaan: lees de opmerkingen van (vooral) native speakers eronder. Need I say more? En verder, als ik een Nederlandse IS-strijder op tv zie of hoor, valt het mij altijd op dat deze man zich perfect in het Nederlands uit kan drukken en hoogstwaarschijnlijk voor welke taaltest dan ook zal slagen.

Precies dezelfde parallellen zijn te trekken als Nederlanders (waaronder Nederlandse juristen) zich van een andere taal (laten we even zeggen: Engels) bedienen: ‘kennis’ van taal is één ding. ‘Economische omstandigheden’ is een ander ding. De ‘context’ waarin een taal wordt gebruikt: weer een ander ding. ‘Sociale klasse’, ‘onderwijs’, ‘hiërarchische
verhoudingen’ (bijv. opdrachtgever-opdrachtnemer), ‘culturele eigenaardigheden’,
‘persoonlijke karaktereigenschappen (sympathiek? argwanend? openminded?
afwachtend? etc etc.), ‘gender’, ‘ras’, ‘geschiedenis’, ‘regionale verschillen’ en ga zo maar een blog of 8,9 verder… In het licht van menselijke communicatie allemaal net zo
belangrijk als een taal wel of niet (en als wel: goed of fout) spreken.

Kortom, het is een beetje overmoedig om te denken dat een grotere ‘kennis’ van een taal allerlei (vooral sociaal-economische) misstanden uit de weg ruimt. Het helpt misschien een beetje, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Ook zonder die kennis, schaffen wir es!

What’s in a language? (16)

Er is geen land ter wereld waar mensen zich zo bezighouden met hoe landgenoten Engels spreken dan Nederland. Het begint zelfs in Nederland wonende Engelssprekenden op te vallen… Nu is het Engels van Louis van Gaal de afgelopen 1½ jaar al de running gag, maar de afgelopen week weer twee voorbeelden: Regilio Tuur die weigert Nederlands te spreken in een praatprogramma (kijk hier) en de vraag hoe het staat met het Engels van Khadija Arib: “ergens tussen Louis van Gaal en Frans Timmermans” was haar antwoord (lees hier). Beetje flauw overigens dat diezelfde vraag niet ook werd gesteld aan de andere drie
kandidaten, maar goed…

Kan dat misschien eens een keertje uit zijn? Ten eerste kan je zeggen wat je wil over Louis van Gaal (of over zijn Engelse taalbeheersing), de beste man is in ieder geval niet bang om te communiceren, en ja, dan maak je fouten; alles beter dan stommetje te spelen omdat je niks durft te zeggen. En verder ben ik van mening dat heel veel Nederlanders voortdurend dezelfde fouten maken, alleen komt dat niet op televisie. Ten tweede kan je zeggen wat je wil over Regilio Tuur, maar als hij het fijner vindt om zich (overigens uiterst correct) uit te drukken in een taal waar hij al jaren door omgeven wordt, moet hij dat weten. Om hem dan “arrogantie” te verwijten of om te eisen dat hij dan ook maar zijn paspoort moet
inleveren, gaat misschien wat ver. En ten derde kan je zeggen wat je wil over Frans Timmermans (vaak dan weer een beetje jaloerserig), maar als we zijn Britse accent naar het Nederlands zouden ‘vertalen’, zou hij telkens vreselijk worden uitgelachen om zijn
“geaffecteerde”, “aanstellerige”, “bekakte”, “hautaine”, “Leidse”, “pedante” en/of “overdreven” stemgeluid.

Maar ten vierde, en het allerbelangrijkste: het maakt de Engelsen/Amerikanen etc. geen ene iota uit… Ik durf hier zelfs te beweren dat ze dat niet eens hóren! Engelstaligen gaan ervanuit dat iedereen een accent heeft. Dat kan zijn omdat landen als Australië, Canada en de Verenigde Staten “traditionele immigratielanden” zijn, of dat Engeland te maken had/heeft met grote groepen British Empire-inwoners, maar het komt voornamelijk omdat de hele wereld Engels spreekt; Engels is eigenlijk overal de gemeenschappelijke taal, en dat komt mooi uit… die accenten nemen ze dan wel op de koop toe.

Nederlanders vinden het daarentegen maar raar, al die accenten. Zelfs als iemand op de Nederlandse televisie ook maar een greintje (Nederlands!) streekaccent laat horen, vinden we het een goed idee om het dan maar gelijk te ondertitelen. Iets wat bijv. de BBC nooit van z’n leven zal doen, hoewel veel Engelse streekaccenten voor veel (Engelse) kijkers volkomen onbegrijpelijk moeten zijn. Zou dat ook de reden zijn waarom speciaal Arib gevraagd werd naar haar beheersing van het Engels? “Zo’n Marokkaanse, die spreekt vast geen Engels…”, of iets in die richting (zie verder ook onze blog over ‘discursieve context’! (Hier nog eens te lezen).

Natuurlijk maakt de Engelstalige wereld wel grappen over accenten die afwijken van RP (received pronunciation), en de manier waarop Pakistani, Italianen, Russen en ook Nederlanders het Engels uitspreken (à propos Nederlanders: het verschil in uitspraak tussen bed/bad of food/foot). Maar ze zullen nooit (of dan in ieder geval: zelden) denigrerend zijn over uitspraak. Het is vaak een middel om iemand snel ergens (sociaal-economisch, klasse, afkomst etc.) te plaatsen. Dat kán ook, omdat Engelsen veel makkelijker, sneller en secuurder accenten herkennen, terwijl de meeste Nederlanders het verschil tussen een Zeeuws en een Gronings accent niet eens weten te leggen… Het is in ieder geval géén uitvloeisel van de een of andere vorm van politieke correctheid, maar gewoon: a fact of life.

Nederland… waar een klein land klein in kan blijven.

What’s in a language? (15)

Branch Out en medewerkers willen alle lezers van deze blog (inmiddels zo’n 1.300) allereerst natuurlijk een uiterst voorspoedig 2016 wensen! Ook dit jaar zullen wij ons best doen om diverse ontwikkelingen en eigenaardigheden op het gebied van Engels (en dan met name op het gebied van Legal English) onder de aandacht te brengen. Als er verder speciale (grammaticale) vragen zijn, als u zich regelmatig afvraagt hoe je het een en ander “eigenlijk in het Engels” schrijft, of als er andere dingen zijn waar wij eens aandacht aan zouden moeten besteden: laat het ons gerust weten.

De laatste maand van het jaar ontaardt altijd in de gebruikelijke flauwekullijstjes van “nieuwe” woorden en de bekendmaking van “Het Woord van het Jaar” (voor de mensen die het hebben gemist: “sjoemelsoftware” in het Nederlands (klik hier) en in het Engels: emoji voor Brits-Engels (klik hier), aldus de Oxford Dictionary, en het achtervoegsel –ism voor Amerikaans-Engels (klik hier), aldus de Merriam Webster Dictionary (daar hebben we het dus weer… wélk Engels?).

Aan het begin van die maand echter, was een veel belangrijkere taalontwikkeling in het nieuws. Ik bedoel de pogingen van diverse musea (waaronder het Rijksmuseum, het Tropenmuseum, het Afrikamuseum) om beschrijvingen van de in hun bezit zijnde (kunst)werken “waardevrij” te maken. (Voor de mensen die dát gemist hebben: klik hier). Woorden als “neger”, “eskimo”, “mongooltje”, “indiaan”, “hottentot”, etc. zouden niet alleen verbannen moeten worden van de bordjes die naast deze werken hangen, maar ook in de catalogusbeschrijvingen; “negerinnetje” wordt “Surinaams meisje”, dat soort werk.

Dit alles is natuurlijk volkomen logisch: in 2016 spreekt niemand met meer dan vijf hersencellen nog over “negers” of “mongooltjes”, dus waarom zouden die woorden dan wel in musea blijven bestaan? Daarnaast zijn die musea al jaren bezig met dit werk (zie bijv. Spreken we dezelfde taal? van Alex van Stipriaan, hoogleraar Caraïbische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit uit 2011). Veelzeggender echter is de vraag waarom dit juist nú zo in de publiciteit gebracht moet worden?

Ongetwijfeld is dit gebeurd onder invloed van buitenlandse (lees: Amerikaanse) ontwikkelingen. Het Rijksmuseum zélf zegt dat “met name Amerikaanse bezoekers” aanstoot
namen aan de tekstbordjes. Dit past vrijwel naadloos in de zwartepietendiscussie waar de tegenstanders van Zwarte Piet een heel groot hart onder de riem wordt gestoken door buitenlandse (lees: Amerikaanse) actievoerders, documentairemakers en VN-
onderzoekers. (Misschien daarom juist niet zo verwonderlijk dat het suffix –ism tot het (Amerikaanse) woord van 2015 is verkozen…?)

Dé grote fout die zowel voor- als tegenstanders van taalverandering maken, is echter dat zowel de dat-is-belachelijk-want-dat-is-nu-eenmaal-onze-cultuur schreeuwers als de het-zijn-allemaal-tekens-van-onderdrukking-door-de-blanke-man roepers (een) “taal” zien als een waardevrij middel van communicatie dat los staat van de cultuur waaruit (een) “taal” is voortgekomen. Beide groepen geloven letterlijk in het Bijbelse adagium dat er eerst het Woord was, en toen pas datgene wat er werd bedoeld met dat Woord. (En voor de mensen die dát dan weer even gemist hebben: klik hier).

“Taal” (en niet alleen woorden maar ook grammatica, syntax, uitspraak enz.) ontstaat juist uit (culturele) omstandigheden.

En waar is dat nou mooier te zien dan in Legal English, ofwel in het Engels dat gebruikt wordt in de juridische context van de Anglo-Amerikaanse (Common Law)cultuur? Als datzelfde Engels (om allerlei redenen) óók wordt gebruikt in een Civil Law-cultuur, dan stuit je op een hoop ongerijmdheden en misverstanden. Het Nederlandse ‘opzeggen’ is niet zomaar terminate, de Nederlandse ‘rechter’ is lang niet altijd niet altijd een judge, en wat dacht u van ‘dagvaarding’, ‘verzoekschrift’, ‘kort geding’, ‘comparitie’, ‘vonnis’, ‘beroep’? Om er maar een paar te noemen…

Een andere cultuur geeft de woorden een andere betekenis. Hierover de komende weken in de Branch Out Legal English Blog.

What’s in a language? (14)

Eén van de belangrijkste verschillen tussen het (Anglo-Amerikaanse) common law rechtssysteem en het (Europese) civil law rechtssysteem is dat in een common law-systeem de partijen als kemphanen tegenover elkaar staan en de rechter meer een soort
scheidsrechter is en in het civil law-systeem de rechter (in vergelijking met zijn Anglo-Amerikaanse tegenhanger) een meer onderzoekende en interpreterende rol krijgt
toebedeeld.

Een aantal weken geleden hadden we het hier over de constatering dat Anglo-Amerikaanse rechters zich (moeten) beperken tot een puur grammaticale interpretatie van “de wet”: je hebt het maar te doen met wat er staat. De Nederlandse civil law ‘redelijkheid en billijkheid’, ofwel reasonableness and fairness, spelen niet de rol die wij ze hebben toebedacht (lees hier nog eens). Een reden van het bestaan van de entire agreement clause in contracten onder Anglo-Amerikaans recht.

Je zou vermoeden dat er heel wat te zeggen is voor zo’n grammaticale interpretatie. Wellicht een een stuk beter dan “onze” interpreterende en haveltexende, rechters en een hoop arbitraire onduidelijkheid uit de weg ruimend. Maar helaas… Een uiterste consequentie namelijk is de volgende uitspraak van Lord Reed, een Schotse rechter en vanaf 1998 een lid van het Supreme Court of the United Kingdom. Lord Reed schrijft in Black-Cawson v Papierwerke (1975, hier verder te lezen):

‘We often say that we are looking for the intention of Parliament, but that is not quite accurate. We are seeking the meaning of the words which Parliament used. We are seeking not what Parliament meant but the true meaning of what they said.’

Oef… denk daar nog maar eens over na, zou ik zeggen.

Welke gevolgen kan dit bijvoorbeeld hebben? Neem de volgende (vaak geciteerde) zaak: Fisher v Bell [1961]: De eigenaar van een winkel had een stiletto in zijn etalage gelegd. Mét prijskaartje. Onder de Restriction of Offensive Weapons Act uit 1959 was het niet toegestaan om dergelijke voorwerpen te maken, te verkopen, of om die dingen te koop aan te bieden (to offer for sale).

De openbare aanklager bracht naar voren dat de winkelier het mes in de etalage had gelegd om een koper aan te trekken (attract a buyer). De winkelier bracht hier tegenin dat dit niet voldoende was om te gelden als een aanbod (an offer for sale). De rechters waren het hier mee eens: het etaleren van het mes was een uitnodiging om te verhandelen (an invitation to treat) en niet een aanbod te verkopen (an offer for sale).

De rechtbank was wel van mening dat het voor “leken” geen verschil maakt of etaleren van een stiletto in een etalage voorbijgangers uitnodigde om het ding te kopen of dat het een uitnodiging tot verhandelen was, en dat het onzin zou zijn te beweren dat de winkelier het ding niet te koop aanbod. Maar óók stelde de rechtbank dat de wet zei dat een uitstalling in een etalage een uitnodiging om handel te drijven betrof. De rechtbank wist verder zeker dat de Restriction of Offensive Weapons Act verbood wapens te koop aan te bieden of uit te stallen ter verkoop (mijn cursivering). Maar… de woorden “uit te stallen ter verkoop” ontbreken in deze Act, en daarom kón, volgens de letter van de wet, uitstalling in een etalage als invitation to treat beschouwd worden en derhalve overtrad de winkelier wet niet….

Kortom, je kan nu wel naar de “Geest van de Wet” willen handelen, maar als de “Letter van de Wet” in de weg zit (of in dit geval liever gezegd: het ontbreken van de Letter van de Wet), daarbij in de weg zit, dan schiet je er nog niks mee op… Misschien valt er toch wel iets te zeggen voor haviltexen? Hoe het ook zij: in ieder geval reden genoeg om extra op te letten als je je in Legal English uit wilt drukken.

(met dank aan Marja Slager en deelnemers aan een recente Dutch Law in English-sessie bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn)

What’s in a language? (13)

Weer een hoop borst- en tamboerijngeroffel de afgelopen week: van alle niet-Engelstalige landen schijnt Nederland het op één na beste Engels te spreken (de Zweden zijn het allerbest en hebben stuivertje gewisseld met de Denen die nu op de derde plek staan).
Hoera en langzalzelevenindegloria! (lees het NOS-bericht van afgelopen dinsdag).

Knap! Niet zo zeer van die Zweden, of die Nederlanders, maar veel meer van Education First (ofwel EF), volgens de NOS een “onderwijsinstantie”, volgens de Kamer van Koophandel een bedrijf dat taalreizen organiseert. Geen idee hoe EF dit toch iedere keer weer voor elkaar krijgt, maar verzin een English Proficiency Index (!!) en zie hoe iedereen je “onderzoek” serieus neemt en EF noemt in kranten en op radio en televisie. En dat niet zo maar één keertje… nee, kijk even naar november 2014 in de Telegraaf (hier te lezen) of anders naar november 2013 in de Metro (hier te lezen). Wij doen hier een gewaagde voorspelling: Nederland komt volgend jaar november uit de bus komt als het allerbest Engelsprekende land van de wereld. Pfffft, eindelijk dan! Een (Internet)rondje langs de Zweedse en Deense pers laat al precies hetzelfde zien… Perfecte marketing! Petje af.

Er valt natuurlijk van alles en nog wat af te dingen op dit “onderzoek” (en de eerlijkheid
gebiedt te zeggen dat EF dit zélf ook doet…), en ook dat schijnt een bijkomende traditie te worden. (Zie bijv. hier). Veel interessanter is het eigenlijk om te bekijken waarom we dit allemaal zo belangrijk vinden. Althans, waarom wordt hier überhaupt aandacht aan geschonken?

Het is (waarschijnlijk) leuk om “je eigen land” hoog te zien eindigen (zie: vrouwelijke sprinters, vrouwelijke wielrenners, vrouwelijke volleyballers en nu dan ook -of liever,
alweer- kennis van het Engels), maar er zit een duistere kant aan: al in 2006 publiceerden de Nijmeegse onderzoekers Bert van Onna en Carel Jansen een onderzoek dat aantoonde dat Europeanen hun kennis van het Engels onderschatten. Alle Europeanen? Nee, alleen de Nederlanders OVERschatten hun kennis van deze taal (lees hier een samenvatting van hun onderzoek).

Overschatting kán handig zijn als je met andere niet-Engelstaligen in het Engels communiceert, maar in communicatie met moedertaalsprekers Engels kan dit vervelende (want: niet-bedoelde) gevolgen hebben: hoe “beter” Engels je spreekt, des te minder is je
Engelstalige gesprekspartner zich ervan bewust dat hij met een niet-Engelstalige te maken heeft (en worden bijv. onbedoelde onbeleefdheden heel erg geïnterpreteerd als heel erg opzettelijke onbeleefdheden).

Wij zien het telkens weer in onze Dutch Law in English-workshops: Nederlandstalige juristen die uitstekend Engels spreken, slaan keer op keer de plank volledig mis als zij geen kaas hebben gegeten van de verschillen tussen common law en civil law landen. Juristen die uitstekend Engels schrijven, verraden hun Nederlandse achtergrond omdat hun -verder grammaticaal tamelijk foutloze- teksten een typisch Nederlandse opbouw hebben. En zo zijn er talloze voorbeelden te geven. “Taal” is zo vreselijk veel meer dan het al dan niet juist toepassen van regeltjes…

Kortom (en op deze plaats zal zo vaak gezegd): het ene Engels is het andere niet. Ik was vorig jaar in Japan en had 10 gespreksopeningetjes in het Japans uit mijn hoofd geleerd. Zo moeilijk is dat niet. Ik heb nog nooit (in het Engels, weliswaar, maar dit terzijde) zo vaak gehoord dat mijn Japans fantastisch was. Ik bedoel maar…

Overigens is volgens mij de enige (en zo niet, dan toch wel: de voornaamste) reden dat het niveau Engels in voornoemde landen hoger is dan in andere landen het feit dat men in
andere landen de televisie niet nasynchroniseert. “We” zijn niet slimmer… , maar gelukkig kunnen “we” wel harder lopen… tenminste… de vrouwen, dan.

PS:
Voor iedereen die nog steeds interesse heeft in het EF-“onderzoek”: klik hier

What’s in a language? (12)

“De tolerantie voor taalfouten is laag in de advocatuur, het maakt niet zoveel uit wie ze maakt. Advocaten zijn nu eenmaal kommaneukers. Comes with the job”, schreef Lucien Wopereis op 6 oktober in een column op advocatie.nl (hier nog eens te lezen).

Hij schreef dit naar aanleiding van een artikel in het Advocatenblad waar de term ‘discursieve context’ werd gebruikt. Een voorbeeld: als een advocaat van Nederlandse afkomst een woord verkeerd schrijft, denken andere advocaten: hij heeft slecht geslapen. Als een Marokkaans-Nederlandse advocaat een spelfout maakt, wordt dat verklaard doordat diegene uit een andere cultuur komt. Lucien Wopereis “waagt dit te betwijfelen”, hij meent dat het onder advocaten niet uit maakt van welke (etnische) afkomst de verkeerdewoordenschrijver is, in alle gevallen denken de andere advocaten over de verkeerdewoordenschrijver: “wat een zak hooi”. Discursieve context? “Sociologisch geneuzel”.

Ik heb geprobeerd dit te vertalen naar een setting waarin de Nederlandse advocaat zich van een andere taal bedient, laten we even zeggen: van het Engels. En laten we dan in
hemelsnaam maar hopen dat er iets als een discursieve context bestaat (of je het zo moet noemen, is natuurlijk weer wat anders, maar goed…).

Er wordt Nederlandse advocaten heel wat vergeven als ze in het Engels communiceren met Engelstaligen. En niet omdat ze Nederlanders zijn (zo’n aardig, tolerant en gastvrij volk, immers), maar omdat de Engelstalige tegenhanger weet dat hij/zij te maken heeft met een niet-Engels moedertaalspreker/-schrijver. Of, om Lucien Wopereis te parafraseren: Als een advocaat van Nederlandse afkomst een woord in het Engels verkeerd schrijft, dan denken Engelstalige advocaten niet what a bale of hay, maar denken ze ‘aha, een
niet-Engelstalige die de moeite neemt zich in mijn taal verstaanbaar te maken’.

Overigens is ‘een woord verkeerd schrijven’ hoogstwaarschijnlijk nog maar de kleinste hobbel; veel lastiger wordt het met bijv. zins- en tekstopbouw en cultureel bepaalde schrijf- en omgangsconventies. Dergelijke, in verschillende talen afwijkende, elementen zorgen voor veel meer frictie en onbegrip zoals wij op deze plek al zo vaak hebben gezegd (en zullen blijven zeggen).

Het moet gezegd worden: Nederlanders (en Zweden, en Noren en Denen etc.) communiceren in vergelijking met andere nationaliteiten (waarschijnlijk) vrij goed in het Engels. Maar juist daarom moet die discursieve context niet uit het oog verloren worden. Nederlanders (en etc.) communiceren misschien wel iets té goed in het Engels, waardoor de
Engelstaligen kunnen gaan denken dat een “fout” (niet een spelfout, maar een “fout” in bijv. toon of stijl) juist met opzet is gemaakt…

Zo geloof ik niet dat Nederlanders “bot en direct” zijn (wat je vaak van Engelstaligen hoort), maar dat dat veel meer ligt aan het (te) grote zelfvertrouwen van de Nederlander die zich van het Engels bedient. Grappig is wel om te zien dat er een groot verschil bestaat tussen mondelinge en schriftelijke communicatie in beide talen. Onze Nederlandstalige cursisten vinden juist dat het schriftelijke Engels zo “kortaf, zakelijk en direct” klinkt, iets dat zíj nooit zouden doen (tenminste… op schrift), maar hierover een andere keer.

PS:
Over zakken hooi gesproken: twee weken later meldt advocatie.nl in een kop: “Dewey & LeBoeuf-jury komt er niet uit: mistrail” (hier te lezen). Ook in het artikeltje zelf werd over een mistrail gesproken. Nu weet ik wel dat het weer herfst is, en dat mist de Nederlandse Spoorwegen soms danig parten speelt, maar om de Dewey & LeBoeuf-jury daar nu weer de schuld van te geven? Deze fout is inmiddels rechtgezet: er is “mistrial” van gemaakt. Gelukkig zijn er nog wakkere zakken hooi…

 

What’s in a language? (11)

Twee weken geleden hield de Europese Commissie-voorzitter, Jean-Claude Juncker, de openingsspeech voor het nieuwe politieke jaar. Hij, Luxemburger, deed dit in het Engels. In de hele EU-pers werd deze State of the Union inhoudelijk besproken. In de hele EU? Nee, de pers in één klein landje bleef moedig weerstand bieden… Hier werd veel meer juist de vorm van deze toespraak onderdeel van het debat: Engeland. Waarom?

Even de voorgeschiedenis: Junckers voorloper, Barosso, leunde voor zijn openbare speeches zwaar op een klein team tekstschrijvers. Juncker deed juist het tegenovergestelde: hij zocht input van alle partijleiders van het Europese parlement en van alle 28 Eurocommissarissen. In de week voor zijn speech trok hij zich twee dagen terug met een team van zes mensen: Anne Mettler (hoofd van de European Political Strategy Centre, de interne denktank van de Commissie), Martin Schultz (Parlementsvoorzitter), stafchef Martin Selmayr, Manfred Weber (fractievoorzitter van de Europese Volkspartij), Frans Timmermans (vice-voorzitter Europese Commissie) en Mina Andreeva (Junckers woordvoerdster). Sommigen concentreerden zich op visionaire aspecten van de speech, anderen richtten zich op het benoemen en bespreken van concrete en actuele onderwerpen. Junckers beoogde resultaat was een mix van positieve en negatieve aspecten van de huidige, Europese, situatie. Juncker zei een slag om de arm te houden en de definitieve versie de nacht voor 9 september zélf te schrijven.

So far, so good, zou je kunnen zeggen. Maar nu de nageschiedenis: in bijna alle EU-landen werd Junckers speech op z’n inhoud becommentarieerd. Alleen in Engeland ging het vaak om de vorm. Het geheel is het best samengevat in een commentaar van Tim King in Politico (hier te lezen).

Tim Kings opmerkingen kort samengevat: There was a fundamental imbalance at the heart of his presentation: it was long on rhetoric but short on persuasive explanation. The result was uneven and disjointed — and long before the end he had lost his audience, at least in the parliamentary chamber.

Ik vraag me af of de heer King dezelfde opmerkingen had gemaakt als Juncker zijn rede in het Frans of Duits had gehouden; het was (kort door de bocht) een “Duitse boodschap in het Engels”. Duits (of dan tenminste “Europees”) in opbouw, retoriek, uitweidingen, voorbeelden, vergezichten, afwegingen van voors en tegens, afwisselingen van positieve en negatieve kanten etc. etc, maar dan in het Engels. Dankzij een heel leger aan vertalers ongetwijfeld een grammaticaal en lexicaal correct Engels, maar bedacht en gebracht door een niet-Engelsman, met een niet-Engelse achtergrond. En het feit dat zijn team bestond uit: Mettler (Duits/Zweeds), Schultz (Duits), Selmayr (Duits), Weber (Duits) en Andreeva (Bulgaars) heeft waarschijnlijk ook niet echt geholpen. Je zou hebben kunnen denken dat Timmermans, hoewel Nederlands, een zeker tegenwicht had kunnen geven, maar nee dus.

King schrijft verder in zijn commentaar: There were moments in the speech that the professional part of his audience — the journalists, spin-doctors and politicians — were able to re-process into soundbites and Tweets. But the occasional rhetorical flourish could not rescue something that was basically lacking in coherence. Zó moet er dus in het Engels een speech worden geschreven (én gehouden).

Het geheel doet erg denken aan dingen die vermeld staan in de Anglo-Dutch Translation Guide: een Engelsman zeg: “Very interesting.”, de Europeaan denkt te horen: “He is impressed”, maar de Engelsman bedoelt eigenlijk: “I don’t agree” of  zelfs: “I don’t believe you” (nog veel meer prachtige voorbeelden hier te lezen).

Om de dichtregel uit Awater van Martinus Nijhoff (“Lees maar, er staat niet wat er staat”) te parafraseren: “Luister maar, er wordt niet gezegd wat er gezegd wordt”.

Kortom: het probleem met het Engels is dat Engelsen het spreken. Of anders: het probleem met de Engelsen is dat ze Engels spreken.

 

What’s in a language? (10)

In een reactie op een eerder door Marja Slager geschreven blog over het juiste Engelse
woord voor het Nederlandse woord “curator”, schreef Antoon Huijgens: “Ownership is geen eigendom en negligence is niet gelijk aan wanprestatie. Engels is in wezen niet geschikt als taal om continentaal recht te beschrijven”. Dat is volkomen waar. Het gaat echter zelfs nog wel ietsje verder dan alleen maar ‘woorden’…

Recent onderzoek (Lancaster University) wijst uit dat de HÉLE taal die je gebruikt, de manier bepaalt waarop je gebeurtenissen ziet en interpreteert. Dus niet alleen woorden, maar ook (o.a.) grammatica bepaalt je wereldbeeld. In het bewuste onderzoek (een goede samenvatting is hier te lezen) kregen Duits- en Engelssprekenden (waarbij ‘Duits-
sprekenden’ tot op zekere hoogte vervangen zou kunnen worden door ‘Nederlands-
sprekenden’) video’s te zien met een beweging erin. Bijvoorbeeld een man die naar een winkel fietst. Duitssprekenden omschreven deze actie als: “Een man fietst naar de winkel”, terwijl Engelssprekenden significant vaker alleen de handeling beschreven: “Een man
fietst”, zonder het doel toe te voegen. Het gevolg van een handeling heeft voor Duitstaligen meer de aandacht, terwijl Engelstaligen meer nadruk leggen op de actie zélf.

In het Engels kan dat, alleen de handeling beschrijven, dankzij de, al vaker in deze blog beschreven, –ing vorm (a man is cycling/riding a bicycle). In het Duits bestaat die gramma-
ticale vorm niet waardoor de gebeurtenis als één geheel wordt omschreven: handeling én doel. Interessant was om te zien dat hoe beter de Engelstalige proefpersonen Duits spraken, hoe vaker zij de actie erbij vermeldden. Het zou overigens interessant zijn om dit onderzoek te herhalen met Nederlandssprekenden, en dan te zien hoe vaak de tussenvorm (“Een man is aan het fietsen”) tevoorschijn zou komen…

Je kan hier natuurlijk allerlei psychologische koude-grond-conclusies aan verbinden (“Duitsers zijn doelgericht, terwijl Engelsen actiegericht zijn”, of zo…), maar dat gaan we maar niet doen. Het feit blijft echter dat “taal” ons wereldbeeld bepaalt (dus niet alleen woorden, maar ook grammatica, zoals het boven aangehaalde onderzoek uitwijst, en daarnaast ook uitspraak, culturele annotaties, etc. etc.).

Heel strikt genomen is Engels, zoals Antoon Huijgens reageert, inderdaad niet geschikt als taal om continentaal recht te beschrijven”. Maar dan ben je wel héél erg strikt. Zo strikt zelfs, dat je ook kan zeggen dat bijv. Schots-Engels niet geschikt is om Brits-Engels recht te beschrijven en andersom. Wat voortdurend in de gaten gehouden moet worden, is de context waarin bepaalde begrippen gebruikt worden… In Engelstalige contracten onder
Nederlands recht staat er bijvoorbeeld veel dat van geen enkel belang of van een niet-bedoeld belang is voor de rechtsgeldigheid van deze contracten: wat te zeggen van bijv. het opnemen van een entire agreement clause in een Engelstalig contract onder Nederlands recht (meer hierover hier te lezen (met dank aan Dirkzwager).

Een vaak gebruikte oplossing voor dit probleem is om in Engelstalige (onder Nederlands recht ressorterende) juridische stukken, telkens als er een juridische slijpsteen opdoemt, de Nederlandse vertaling tussen haakjes erachter te plaatsen (…establishments that are regulated by the Activities Decree (Activiteitenbesluit) based on the Environmental Management Act (Wet Milieubeheer). Om misverstanden te voorkomen, kan het ook handig zijn om de Engelse tekst van het Nederlandse woord te voorzien voor het bedoelde juridisch concept onder Nederlands recht. Bijvoorbeeld: terminate (ontbinden) of terminate by giving notice (opzeggen). Een derde manier kan zijn om het woord/concept zo letterlijk mogelijk te vertalen: an imputable failure to meet one’s obligations voor: wanprestatie en a non-imputable failure to meet one’s obligations voor: overmacht. Dat is wel zo zuiver, mede omdat er in het Anglo-Amerikaanse recht geen verschil wordt gemaakt tussen toerekenbare en niet-toerekenbare tekortkomingen, een breach is daar gewoon een breach, of een partij daar nu wat aan kan doen of niet.

Dit zijn allemaal mogelijkheden om juridische haarkloverijtjes te voorkomen. Het onderzoek van Lancaster University toont echter óók aan dat interpretatie niet alleen in de
woorden zit, maar bijvoorbeeld ook in het gebruik van grammatica, of liever gezegd: de grammatica die je binnen één taal ter beschikking staat. En om al die verschillen nu ook weer eens tussen haakjes te gaan zetten…

Communicatie? Het blijft een hoop gedoe… (maar wij bij Branch Out helpen u daar graag mee!).

What’s in a language? (9)

Valse Vrienden

Het was natuurlijk maar een kwestie van tijd voor Louis van Gaal in deze blog zou opduiken. Niet alleen is Louis een duivelskunstenaar op het veld, ook mag hij met enig recht een Moderne Meester van de Valse Vrienden worden genoemd.

Valse Vrienden, False Friends: woorden of zegswijzes die in twee talen hetzelfde lijken of klinken maar iets totaal anders betekenen. Mede aangezet door Maarten Rijkens met zijn vermakelijke (?) boekje I always get my sin zijn de meeste Nederlanders bekend met dit fenomeen.

Lachen, gieren, brullen. Vaak. En vooral omdat we allemaal denken dat wíj in ieder geval in NIET in dergelijke valkuilen stappen. En nee, hoogstwaarschijnlijk zeggen wij, geletterd en hoogopgeleid als we zijn, niet The points are inside of It’s a question of time als we willen zeggen dat de punten binnen zijn, of dat het een matter of time is. (Hoewel ik regelmatig geletterden en hoogopgeleiden question hoor zeggen als ze ‘kwestie’ bedoelen…, maar that’s another cook).

Er zijn eigenlijk twee soorten False Friends:

  1. woorden die op elkaar lijken maar iets anders betekenen (bijv. in het faillissementsrecht: Nl. curator en Eng. curator, (lees hier meer over) en
  2. woorden die een andere betekenis hebben dan je in eerste instantie denkt (bijv: het Eng. dissolve betekent dan wel ‘ontbinden’, maar alleen maar in de context van het ontbinden van vennootschappen en huwelijken, zie (lees hier meer over). En dan laten we maar even buiten beschouwing dat to decompose a contract op zijn minst onsmakelijk is.

De woorden uit de eerste categorie False Friends zijn eigenlijk het vervelendst omdat je het niet verwacht. En je verwacht die niet omdat je ze al jaren niet als zodanig hebt
onderkend. Hieronder een aantal Legal False Friends uit de eerste categorie:

  • Statuten zijn géén statutes, maar Articles of Association
  • Een statutair directeur is daarom ook geen statutory director maar een director under the Articles of Association. Als een statutair directeur zichzelf als statutory director betitelt, dan snapt zijn Amerikaanse collega echt niet waar hij het over heeft, omdat statutory in het Engels ‘wettelijk’ betekent.
  • Hoewel ‘overwegende dat…’ nog steeds considering that… betekent, zijn considerations geen ‘overwegingen’ maar duidt het woord op een juridisch concept dat bij ons met prestatie-tegenprestatie zou worden aangeduid.
  • Misrepresentation verwijst niet naar onbevoegde vertegenwoordiging maar is een mededeling die niet juist is, een beetje te vergelijken met onze ‘dwaling’ of zelfs (als het een fraudulent misrepresentation is) ‘bedrog’.

(Overigens wil ik hier graag opmerken dat woordenboeken als Van Dale of Google Translate e.d. uit onwetendheid of luiheid maar al te graag deze misverstanden in stand houden. Hoogstwaarschijnlijk tegelijk ook de reden van hun hardnekkige voortbestaan).

Legal False Friends uit de tweede categorie (bijv. verdict, receiver) hebben bijna altijd te maken met de verschillen tussen Civil Law en Common Law rechtssystemen. Overigens horen we vaak Nederlandse juristen zeggen dat zij gespecialiseerd zijn in Civil Law (waarbij ze dan burgerlijk recht of privaat recht bedoelen); gelijk dan maar een voorbeeld van een False Friend uit categorie 2: zeg liever dat je een specialisatie hebt in Private Law, daarmee voorkom je misverstanden!) Over deze Valse Vriendjes uit categorie 2 spreken we vaak in het “What’s in a Word”-gedeelte van deze blog.

Overigens blijven False Friends niet alleen voorbehouden aan twee verschillende talen. Binnen één taal treden ze ook op. Om even bij het Engels te blijven (bijv.Brits-Engels en Amerikaans-Engels): Tiger Woods baarde niet lang geleden nog opzien toen hij zichzelf als een spaz afficheerde; in Amerika een gangbare benaming voor “kluns”, in Engeland een tamelijk beledigend woord voor wat wij, politiek correct, een “geestelijk gehandicapte” noemen (vgl. het Nederlandse “spast”). Een advocate is in Engeland eigenlijk altijd een ‘aanhanger’ (van een bepaalde zienswijze) terwijl een Amerikaanse advocate (‘pleiter’) vooral iemand is die wij in Nederland onder dezelfde naam ook kennen. Niet voor niets merkte George Bernard Shaw op dat “England and America are two countries separated by a common language“.

Om nog even op Louis terug te komen: ik heb het sterke vermoeden dat hij in de leer is geweest bij de absolute grootmeester op dit gebied: Rudy Kousbroek (R. Cowsbrook). Lees bijvoorbeeld het verhaal dat hij schreef voor H. Burnt Crustius. Het verhaal heet “There was once a poor woordchopper” en is gepubliceerd in De Logologische Ruimte (Meulenhoff, Amsterdam, 1984)  (maar is o.a. ook hier te lezen). Lees dat verhaal!!

(met dank aan Marja Slager)

 

What’s in a language? (8)

Drie weken geleden hadden we het op deze plaats over “goed” en “slecht” Engels (hier nog eens te lezen). Is “goed” Engels de taal die door Engelstaligen (en dan om de een of andere reden vooral: Britten) wordt gebruikt of zijn er wel meer soorten “goed” Engels? Of zelfs meer talen die zich “Engels” noemen? En wat zijn de gevolgen hiervan voor Legal English?

Tot mijn grote verrassing ontdekte ik onlangs dat de Universiteit van Southampton een Centre for Global Englishes heeft (klik hier voor meer). Eén van de onderzoekers daar, Jennifer Jenkins, heeft als specialisatie English as a Lingua France (ELF), dit als tegenhanger van English as Foreign Language (EFL).

De Engelse taal wordt tegenwoordig steeds meer gebruikt als een lingua franca: een taal waarin niet-moedertaalsprekers van het Engels communiceren met andere niet-moedertaalsprekers. Het is dus niet per se het ‘mooie Engels’ dat native speakers gebruiken. Het gebruik van het English as a Lingua Franca heeft met name een functioneel doel: het met elkaar kunnen communiceren in een internationale context.

Het gevolg van deze ontwikkeling is dat moedertaalsprekers Engels (en opnieuw: met name Britten) steeds minder vaak begrepen worden door niet-moedertaalsprekers van dezelfde taal. De makers van het satirische tv-programma Smack the Pony hebben dit al eens laten zien in een hilarische sketch waarin een mevrouw (een moedertaalspreker van het standaard Engels) zich wil inschrijven voor een cursus English as a Foreign Language. Als zij ongelovig wordt aangekeken, roept zij vertwijfeld uit: But I only speak English-English. I don’t know how to speak it as a foreign language. Foreign people cannot understand a word I am saying at the moment! (hier te bekijken).

Jennifer Jenkins heeft een overzicht gemaakt van kenmerken van de Engelse taal die je verstaanbaar maken in internationale communicatie. Dit model wordt de Lingua Franca Core genoemd (hier te lezen). Haar Lingua Franca Core draait momenteel erg om verschillende uitspraken van het Engels (zoals het feit dat het wel of niet gebruiken van de Engels th-klank voor de verstaanbaarheid nauwelijks van belang is), maar breidt zich meer en meer uit naar grammaticale en lexicale afwijkingen.

En hier komt dat veelkoppige monster Legal English om de hoek kijken… Het heeft vaak weinig zin om vast te houden aan Anglo-Amerikaans Engels (waaronder ik voor het gemak ook maar Australisch Engels, Zuid-Afrikaans Engels etc. schaar) als je het hebt over onderwerpen die vallen onder het Nederlandse (of Europese) recht. Anders gezegd: waarschijnlijk is het Anglo-Amerikaanse Engels niet toereikend om civil law onderwerpen te beschrijven en is het niet-Anglo-Amerikaanse Engels (de Global Englishes van de Universiteit van Southampton) niet toereikend om common law onderwerpen te beschrijven.

Vorige week bijv. hebben we al gezien dat warranties veel belangrijker zijn in common law dan in civil law (blog hier nog eens te lezen). En dat je bij een Engelse versie van een contract onder Nederlands recht daar veel minder aandacht aan hoeft te besteden. Andersom als een Nederlandse zaak wordt behandeld onder Anglo-Amerikaans recht, speelt het geen enkele rol of een ‘tekortkoming’ nu wel of niet ‘toerekenbaar’ is. Of het woord/begrip ‘comparitie’: ook niet te vertalen maar alleen maar te omschrijven…

Over deze begrippen en over andere aspecten van English (Legal of niet) volgend jaar ongetwijfeld meer. Dit was de laatste aflevering van 2014. Alle medewerkers van Branch Out wensen onze lezers Prettige Kerstdagen en een Voorspoedig 2015. Mochten er nog onderwerpen zijn waar wij ons licht over moeten laten schijnen: laat het ons gerust weten. Tot volgend jaar!!

PS:
Hoewel native-English speakers beweren dat ze steeds minder vaak begrepen worden als ze hun eigen native-English spreken, is het voordeel vaak wel dat zij zélf veel minder moeite hebben om verschillende accenten te begrijpen waarmee al die Global Englishes worden gesproken… Alhoewel, ‘voordeel’? Net na het schrijven van deze blog verscheen een berichtje in de Engelse pers over een mevrouw die naar verluidt een uur lang in een Londense rechtbank aan het woord geweest schijnt te zijn voordat iemand door had dat het helemaal geen Engels was dat ze sprak… (hier te lezen).  Ik bedoel maar…

Met dank aan Dr. Laura Rupp, Senior Lecturer in English Language and Linguistics aan de Vrije Universiteit.