Category Archives: What’s in a language?

What’s in a language? (7)

Om de zoveel tijd laait de discussie weer op: hoe slim is het om op Nederlandse universiteiten de Nederlandse taal op te geven ten faveure van het Engels? Afgelopen maand werd dat weer eens gedaan door vier universitair docenten aan onze twee Amsterdamse universiteiten in hun “Manifest tot behoud van het Nederlands” (klik hier om te lezen). Het is grappig om te zien dat deze hartenkreten bijna altijd komen uit de hoek van mensen die vinden dat het Nederlands moet worden gered van een niet af te wenden ondergang.

Een citaat: “Het is evident dat het leerproces ernstig gecompliceerd zou worden indien het plaatsvindt in een taal die de student maar half beheerst. Voordat je probeert een subtiel en ingewikkeld betoog in een vreemde taal te doorzien of te schrijven, moet je die techniek in het Nederlands meester zijn. (…). Zolang dat nog problemen oplevert, is het te vroeg dezelfde vaardigheden te veronderstellen in een andere dan de moedertaal”.

Afgelopen zaterdag onderschreef Aleid Truijens dit in haar column “IJs & Weder” in de Volkskrant (klik hier om te lezen). Haar mening over het Engels “dat de meeste hoogopgeleide Europeanen min of meer beheersen: een strikt functionele, kreukvrije, geurloze taal met een beperkte, basale woordenschat, aangevuld met vakjargon”.

Ik wil (en kan) niet oordelen over het niveau van het Nederlands van studenten. Ik wil hier alleen maar opmerken dat dit gejeremieer van alle tijden is. Ook wil ik niet voorbijgaan aan de constatering dat de beslissing om Engels als voertaal op universiteiten in te voeren vaak een commerciële basis heeft (meer goed-, of zelfs veel beter-, betalende studenten uit het buitenland). En dat dat vaak wordt verhuld door te beweren dat men het Engels wel moét invoeren om zo in de vaart der wetenschapsvolkeren opgestoten te worden.

Nee, dé grote denkfout die tegenstanders maken, is dat wordt aangenomen dat Engels één taal is, liefst gesproken en geschreven door Engelsen (en vooruit, ook Amerikanen, en Australiërs etc.). Dat ‘Engels’ een standaardtaal is zoals ‘Nederlands’ dat is. Er zijn zoveel meer soorten Engels. Alleen al in Engeland bestaat er een waaier aan geaccepteerde varianten; en wat te denken van EU-English (zie hiervoor onze Blog van 6 september, klik hier om te lezen); of Legal English? Of anders ‘Academisch Engels’?

De schrijvers van het Manifest zijn voor het verzorgen van trainingen ‘Academisch Engels’ voor sommige studierichtingen Dat zal echter onvermijdelijk leiden tot de strikt functionele, kreukvrije, geurloze taal waar Aleid Truijens voor waarschuwt. Het is verder de vraag of dit eigenlijk erg is, maar dat is nu niet het onderwerp…

Hoewel het natuurlijk altijd een goed idee is om bepaalde technieken onder de knie te krijgen, heeft de aanmoediging “Voordat je probeert een subtiel en ingewikkeld betoog in een vreemde taal te doorzien of te schrijven, moet je die techniek in het Nederlands meester zijn” uit het Manifest namelijk verder weinig zin. Dit omdat diezelfde technieken totaal anders (kunnen) zijn in een andere taal. Een tekst, geschreven met Nederlandse ‘technieken’ blijft een Nederlandse tekst, ook al is die in het Engels geschreven… Voorbeeld: als we in het Nederlands van één alinea naar de volgende alinea schrijven, gebruiken we vaak in de eerste zin van de volgende alinea een herhaling of een aanwijzend voornaamwoord om een betere overgang of samenhang te creëren. In het Engels doe je dat veel minder. Voegwoorden (linking words) spelen een veel grotere rol dan in het Nederlands. Engelstaligen vinden dat het Nederlands erg veel -in hun ogen- overbodigs bevat (klik hier om te lezen).

Engels (elk Engels, of liever gezegd: elke taal) is zo veel meer dan woordjes en                     grammatica… Ik zit vaak in de tram. Bij sommige haltes klinkt een bandje: “Vergeet niet uw chipkaart te gebruiken wanneer u uitstapt”, onmiddellijk gevolgd door: “Please, remember to check out with your OV-your chipcard”. Ik als Engelsman zou denken: “Ja, dúh, natuurlijk… ‘wanneer ik uitstap’, overbodige mededeling” (maar dan in het Engels). Ik als Nederlander zou denken: “Wat nou “please”, zó beleefd en formeel hoeft het allemaal echt niet, hoor”. Tóch heeft de HTM ervoor gekozen juist dát bandje te laten klinken. De spijker op z’n kop! Iedereen bediend met een mededeling zoals het hoort in zijn eigen culturele setting!!

Ten slotte kan iedereen rustig gaan slapen. De ironie wil dat precies dezelfde discussie ook op Britse universiteiten regelmatig oplaait: buitenlandse (dat wil zeggen niet-Engelstalige) studenten ‘trekken het niveau van het Engels omlaag’. Vervang het woord ‘Nederlands’ door ‘Engels’ (of andersom) en de zorgen zijn dezelfde.

Gelukkig maar. Verslechtering, verbetering, verandering, aanpassing. Een beter teken dat talen “leven” kan niet worden afgegeven.

What’s in a language? (6)

Als we het over het Deens hebben, is dat over de taal die in Denemarken wordt gesproken. Als we het over het Engels hebben, denken we dat dit de taal is die in Engeland wordt gesproken, of misschien in de Verenigde Staten en in nog een handjevol landen meer. Echter: naar schatting twee derde van de Engelssprekenden (en Engelsschrijvenden!) is géén moedertaalspreker van deze taal. Anders gezegd: Engels behoort niet meer aan Engeland, aan de Verenigde Staten, of aan dat andere handjevol. Wat gebeurt er met een taal die “iedereen” toebehoort en hoe ziet dat er in de toekomst uit?

Een studie van Gary Lupyan and Rick Dale (klik hier om te lezen) wijst uit dat “grote” talen simpelweg makkelijker zijn, ofwel: eenvoudiger morfologie, grammatica, uitspraak etc. Aan de andere kant zijn kleinere talen vaak moeilijker: hoe kleiner (dwz. hoe minder mensen een taal spreken), hoe moeilijker die taal is voor anderen.

John McWhorter, een linguïst aan Columbia University, komt in zijn boek “Language Interrupted” (klik hier voor een recensie) tot dezelfde conclusie. Engels (en de andere vier door hem besproken “grote” talen, te weten: modern Persisch, modern gesproken Arabisch, Mandarijn en Maleis) is simpeler want veel minder werkwoordsvervoegingen, minder werkwoordstijden, geen (of minder) naamvallen, makkelijker uit te spreken etc. etc. dan daaraan verwante talen. Deze vijf “grote” talen hebben natuurlijk hun
eigenaardigheden, maar stuk voor stuk zijn ze ten eerste makkelijker te leren dan verwante talen, ten tweede duidelijk eenvoudiger dan ze vroeger waren en ten derde vormen de eigenaardigheden eigenlijk geen onoverkomelijke communicatieproblemen.

Het paradoxale hieraan is wél dat hoe meer mensen één bepaalde taal spreken, hoe
minder er van die taal “overblijft”. Waar zijn bijv. Engelse werkwoordsvervoegingen gebleven (er zijn er nu nog maar twee: I work/He works). Wat is er gebeurd met “To whoM”, terwijl “whoSE” nog steeds (zij het mondjesmaat) bestaat? Waarom vindt bijna niemand (behalve dan sommige Nederlanders…) het erg dat iemand een accent heeft in het Engels?

En het gaat een stuk verder dan grammaticale zoutopslakleggerij: in Brussel, een plaats waar erg veel niet-Engels-als-moedertaalsprekers gebruik maken van het Engels, betekent het Engelse werkwoord to control veel vaker to monitor of to verify, louter omdat contrôler en kontrollieren deze betekenis hebben in het Frans en het Duits. Andere voorbeelden zijn to assist voor to attend, actual voor current, het (potentieel levensgevaarlijke) verschil tussen in case of en in the case of, etc.

Naast een Amerikaanse, een Australische, een Canadese etc. variant van het Brits-Engels (dat eigenlijk ook al “variant” mag worden genoemd, ware het niet dat de Britten daar wat kanttekeningen bij zetten), is er meer en meer sprake van een Euro-Engels, ook EU-Engels genaamd. Dát precies heeft het EU Court of Auditors aangezet tot het publiceren van een uiterst inzichtelijke en even boeiende als vermakelijke stijlgids met ongeveer 120 Engelse woorden en zegswijzen waar het erg vaak erg “fout” mee gaat als niet-Engelstaligen die
gebruiken. Voor een PDF-versie van deze stijlgids: klik hier.

Het is veelzeggend dat deze publicatie “Misused English Terminology” wordt genoemd; over 100 jaar of zo is dat gewoon de algemeen geaccepteerde betekenis van die woorden, of de Engelsen het nou willen of niet. Ze hebben maar te accepteren dat dit een nieuwe variant van het Engels is, net zo als bij. Amerikaans-Engels.

Voor tekst-exegeten (zoals veel internationaal opererende juristen!) zou dat een probleem kunnen opleveren: is die Engelse tekst wel geschreven door een Engelsman, of door een Duitser/Fransman, en wat bedoelt de schrijver dan als er to control (of enig andere woord uit die lijst van misused English van de Court of Auditors) staat in dat contract? Communicatie, het blijft gokken….

 

What’s in a language? (5)

Ben ik nou zo bot, of zijn jullie nou zo beleefd?

Daar stond het weer eens geschreven, in een artikel getiteld “A guide to (mis)communication” in het Financial Times Magazine van 14-15 juni (hier te lezen): “… but if you are Dutch, used to blunt speech, you think it (etc.)….”. In dit verder zeer lezenswaardige artikel schrijft Gillian Tett over een nieuw boek van Erin Meyer, een docent Cross-Cultural Management bij INSEAD: “The Culture Map”. Over dit boek komen we in een volgende blog nog wel eens te spreken: het verschil dat Meyer aanbrengt tussen high context en low context culturen (en de gevolgen voor o.a. het taalgebruik) kan voor internationaal opererende juristen van groot belang zijn, maar liever heb ik het hier even over dat enorme misverstand dat Nederlanders zulke botte, directe en onbeleefde horken zijn. (Overigens een misverstand dat sommige Nederlanders van harte onderschrijven en zelfs cultiveren).

Zélf ben ik graag erg voorzichtig met het verzinnen van allerlei verklaringen: Nederland is een erg egalitaire samenleving en daarom is de noodzaak om beleefd te zijn niet zo sterk aanwezig als in andere landen; iets met maaivelden en het afhakken van koppen; de verzuiling wordt er vaak aan z’n haren bijgesleept (altijd een goed excuus, die verzuiling); die eeuwige zogenaamde ‘handelsgeest’ van de Nederlanders; Nederland een typische low context country (volgens Meyer, dan) en ga zo nog maar even door. Nog even, en die heroïsche strijd tegen al dat water is ook vast een verklaring voor die voor Nederlanders zo karakteristieke bluntness

En hoewel het natuurlijk erg verleidelijk is om allerlei wilde theorieën te bedenken, ligt het volgens mij veel eenvoudiger: Nederlanders spreken net even té goed Engels voor hun eigen bestwil. Ik illustreer deze stelling vaak met de volgende situatie: een ontbijt met twee Britten, een Nederlander en een Portugees (of een persoon van willekeurig welke andere nationaliteit, excuses aan de Portugezen). De Nederlander en de Britten zitten de hele tijd vrolijk met elkaar te keuvelen in het Engels (het weer, de beurskoersen, de koffie, het onderwerp van de vergadering die ochtend, etc., etc.). Op een gegeven moment zegt de Nederlander: “Oh, give me the sugar”. En dan zie je de Britten terugdeinzen en bij zichzelf denken: “Waarom geeft hij mij nou zo’n bevel? Zitten we net zo leuk met elkaar te praten, en dan beveelt hij mij de suiker aan te geven… ik ben z’n knechtje toch niet?” De Portugees, die de hele tijd nog niets heeft gezegd, zegt ook “Oh, give me the sugar”, en de Brit kijkt verheugd op (“Ha, hij spreekt Engels! Je kan met hem communiceren”) en geeft zonder blikken of blozen de suiker aan.

Wat is hier gebeurd? De Nederlander heeft verwachtingen geschept; als iemand over zó veel sociale eigenschappen en talenkennis beschikt dat hij over van alles en nog wat in het Engels mee kan praten, dan móet hij ook het verschil weten tussen “Oh, give me the sugar” en “Would you mind passing me the sugar, please”. Met andere woorden: tussen een strikt bevel en een vriendelijk vraagje. Terwijl de Nederlander hoogstwaarschijnlijk wilde zeggen: “Oh, geef de suiker even?” maar zich bedenkt dat hij niet “even” kan zeggen in het Engels, en waarom zou je in zo’n gezellige en informele sfeer als dit onbijtje zo’n formeel en hogelijk beleefd verzoek moeten indienen met iets van “Would you mind passing me the sugar, please?”.

Hier is geen enkele sprake van bot-, onbeleefd- en/of directheid: doordat de Nederlander al de hele tijd vloeiend Engels heeft gesproken (volgens de Brit, dan… want hoe vaak heeft u al van Engelstaligen gehoord dat uw Engels zo goed is?), verwacht die Brit dat de Nederlander weet hoe hij op een voor de Brit normale manier om de suiker vraagt, en aan de andere kant vindt de Nederlander dat “Would you mind… etc een overdreven formele manier om de suiker te vragen, terwijl die vraag eigenlijk gewoon het Britse equivalent is van “Oh, geef me de suiker even”.

Ik blijf bij mijn standpunt dat het onzin is te beweren dat Nederlanders gewend zijn aan blunt speech (zoals Gillian Tett in haar Financial Times-artikel schrijft): het is veeleer de (té grote) verwachting die Nederlanders scheppen met hun Engels dat daarvoor zorgt. Ik ken eigenlijk net zo veel onbeleefde Britten als onbeleefde Nederlanders (en inderdaad veel minder onbeleefde Portugezen, maar dat kan ook zijn omdat ik maar één Portugees ken?). Ik denk niet dat het aan de “volksaard” van die mensen ligt, maar veel meer aan een verwachtingspatroon: wat ben je gewend? Want andersom vinden veel Nederlander het “onbeleefd” als Britten hun geschreven zinnen met Ik/I beginnen, of dat Amerikanen hun telefoon opnemen met een simpel “Hello?”, terwijl dat de gewoonste zaak van de (Britse/Amerikaanse) wereld is. Bluntness is veel vaker in het ear of the beholder dan ons lief is…

Om iedereen de kans te geven zélf te ondervinden hoe direct, bot en onbeleefd men in andere landen wel niet is, gaat de Branch Out Legal English Blog er even uit tot eind augustus. Prettige Vakantie iedereen! Tot eind augustus!!

PS: In het algemeen is het niet erg comme-il-faut om het met Britten tijdens een ontbijt te hebben over “het onderwerp van de vergadering van die dag”, zoals in mijn situatie hierboven. Dit op zichzelf kan al als blunt of over(t)ly direct worden opgevat. Dit alleen maar om aan te geven dat opvattingen betreffende ‘(in)directheid’, ‘botheid’ en ‘(on)beleefdheid’ niet alléén op taal aankomen…

 

What’s in a language (4)

Omnia dicta fortiora si dicta Latina (ofwel: alles klinkt indrukwekkender in het Latijn… )

George Orwell waarschuwde ons al in Nineteen Eighty-Four: de toekomst van de Engelse taal heet Newspeak… “de enige taal ter wereld waarvan de woordenschat ieder jaar een stukje kleiner wordt”. Een van de hoofdpersonen in het boek is erg enthousiast over de steeds dunnere nieuwe oplages van het woordenboek: “It’s a beautiful thing, the destruction of words”.

Zo hebben lokale autoriteiten in Engeland weer eens een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de eeuwige strijd tegen het gebruik van Latijnse woorden en zinnen in documenten waarin gecommuniceerd wordt met dat ongrijpbare monster dat “het Publiek” heet. Bournemouth Council (die de woorden Pulchritudo et Salubritas -“Schoonheid en Gezondheid”- in het gemeentewapen draagt, maar dit terzijde..) publiceerde een lijstje met maar liefst 19 termen die door gemeenteambtenaren voortaan niet meer gebruikt mogen worden. Op dit lijstje onder andere: bona fide, eg., prima facie, ad libitum, etc., i.e.,nota bene, per se, vice versa, ad hoc, status quo en alle overige usual suspects. Ook bijv. Salisbury Council en Fife Counsil hebben dergelijke lijstjes.

Heel onkarakteristiek minder  dwingend publiceerde de Legal Reform Committee van de Singapore Academy of Law onlangs een lijst Plain English for Latin Expressions” met aanbevelingen voor vervanging van Latijnse zegswijzes door Engelstalige uitdrukkingen  (een, erg goede, PDF-file hier te lezen).  

En ook in Nederland laaien deze discussietjes af en toe op; afgelopen maand nog meldde het satirisch online nieuwsmagazine De Speld onder de titel  “Rechtspraak ex nunc ontdaan van juridisch jargon – Klassieke scholing niet langer conditio sine qua non” (hier te lezen) in een artikel geschreven met nog een stapeltje (voorspelbare) usual suspects dat het game over zou zijn  met het  gebruik van Latijnse woorden. En op 6 mei jl. (in het radioprogramma BNR – juridische zaken) bespraken Pablo van Klinken van Legal.nl en Emma de Boer van Certa Legal  (hier te beluisteren op 12.40 minuten) de voors en tegens van het gebruik van Latijn (en juridisch Nederlands). Overigens heeft Pablo van Klinken op zijn legal.nl site een dappere poging gedaan om een Nederlands – Engels – Latijn woordenlijst aan te leggen: klik hier.

De argumenten voor aan de ene kant handhaving van het gebruik van Latijn en aan de andere kant voor het onmiddellijk afschaffen van deze gewoonte lopen pijnlijk parallel aan de discussies over Plain English en Begrijpelijk Nederlands (of langs die van het al dan niet gebruiken van Engelse woorden in artikelen of reclame-uitingen…). De voorstanders zeggen dat Latijn belangrijk (of zelfs: noodzakelijk) is voor de juridische nuance, de compactheid, de precisie, de schoonheid en het (rechts)historische begrip. De tegenstanders reppen over overbodige dik-, duur- en interessantdoenerij, verwerpelijke elitaire neigingen, ouderwetse sjiekerigheid, enzovoorts (of: al naar gelang in welk kamp je je bevindt: etcetera).

Wij willen hier graag alleen maar zeggen dat er eigenlijk maar één ding belangrijk is, namelijk om voortdurend voor ogen te houden voor wie je schrijft. Ofwel (in dit geval en héél grof gezegd): voor juridisch onderlegden of voor niet-juridisch onderlegden. Maar zelfs dáár kan ‘m de schoen wringen: het ene Latijn is namelijk lang niet altijd het andere Latijn. We hebben het hier al eerder gezegd: door het naast elkaar bestaan van civil law en common law-systemen, zijn er legio (sic!) voorbeelden van Latijnse woorden en zegswijzen die uw Nederlandssprekende juridische collega vast wel begrijpt (of anders wel iets met een klok en een klepel…), maar die uw Engelstalige juridische collega als een soort Swahili overkomen. Vergelijk maar eens de lijst uit Singapore (zie boven) en de lijst van Legal.nl (idem). Wees dus extra voorzichtig met het gebruik van Latijn als u in het Engels schrijft…

Ten slotte denk ik verder niet we bang moeten zijn voor een Newspeak in Orwelliaanse zin… Het probleem is veeleer dat er juist steeds meer woorden en verschillende talen bijkomen (of dat oude talen maar niet willen verdwijnen…). Quod erat demonstrandum.

 

What’s in a language? (3)

Van der Brugge en De Groot schreven onlangs in het Nederlands Juristenblad (lees hier) dat juridische teksten begrijpelijker zouden worden door een goed onder- en opgebouwd betoog dan door het vermijden van juridisch jargon en archaïsch taalgebruik. Daar hebben ze natuurlijk gelijk in. Alleen is het jammer dat juridisch taalgebruik (of het nou gaat om
Legal English of om Juridisch Nederlands) zo vaak gezien wordt als alleen archaïsch
taalgebruik. Het is zo veel meer dan dat. Ik zet graag nog even voornaamste kenmerken op een rijtje en zal proberen een aantal verschillen tussen Legal English en Juridisch
Nederlands te geven.

De meest in het oog vallende kenmerken van deze professionele taalvariant zijn:

  • Het gebruik van juridische terminologie. Net zoals in andere professies maken
    juristen vaak gebruik van  technische termen die voor juridisch niet-onderlegden vaak onbekend zijn. Voor wat betreft Legal English bijv. waiver, restraining of trade, restrictive covenant, promissory estoppel. Veel van deze woorden stammen uit het Frans of het Latijn, een reden te meer dat deze woorden niet écht bekend zijn bij ‘het grote publiek’.
  • Deze terminologie omvat soms ‘gewone’ woorden die een speciale juridische
    betekenis hebben als ze worden gebruikt in een juridische context. Eerder hebben we het al eens gehad over specification, maar andere voorbeelden zijn consideration, redemption, of furnish.
  • Een gebrek aan interpunctie. Soms lijkt het wel of juridische Engelstalige stukken (aktes in het bijzonder) allergisch zijn voor komma’s en punten. Engelstalige
    advocaten vinden dat interpunctie alleen maar ambiguïteit in de hand werkt en dat de betekenis van juridische documenten slechts in de woorden en hun context ligt (een gevolg van het Common Law-stelsel wellicht?). Grappig genoeg wordt Juridisch Nederlands vaak geplaagd door juist te veel komma’s op te veel willekeurige
    plaatsen waardoor de betekenis van een zin juist anders uit kan pakken dan
    bedoeld… Het kan zijn dat de regels  van het komma-gebruik in het Nederlands veel ingewikkelder zijn dan in het Engels. Hier komen we in een volgende blog op terug.
  • Het gebruik van verdubbelingen. We hebben het hier al eens over gehad; het voorbeeld was toen null and void. Maar fit and proper, care and attention, perform and
    discharge, terms and condition
    zijn daar allemaal voorbeelden van en we zouden er nog veel meer kunnen opnoemen.
  • En over verdubbelingen gesproken: het veelvuldig gebruik van de zgn. pro-form (ofwel: korte en economische woorden met een algemene betekenis die voor
    andere, in de tekst gespecificeerde, “inhoudsdragende” woorden of uitdrukkingen staan). Bijvoorbeeld: the same, the said, the aforementioned enz. Het gebruik hiervan in juridische teksten is opmerkelijk omdat ze vaak niet het woord vervangen waar ze voor staan (juist de hele bedoeling van die woordjes!), maar juist gebruikt worden als een soort bijwoord. Bijvoorbeeld: the said John Smith. Of in het Nederlands: ‘de voornoemde Jan Smit’ (alsof we het plotseling over een andere Jan Smit hebben..). Waarschijnlijk opnieuw een poging om eventuele ambiguïteit te voorkomen.
  • Het gebruik van voornaamwoordelijke bijwoorden. Ofwel woorden als hereby en whereof (en andere met bijv. -at, -in, -after, -before, -with, -of, -above, -on, -upon) die in het Modern Standard English bijna niet meer worden gebruikt (lees ook hier). Vreemd genoeg wordt dit stijlaspect in juridisch taalgebruik juist gebruikt om
    herhalingen te voorkomen… Bijvoorbeeld: the parties hereto in plaats van the parties to this contract.
  • Ongebruikelijke woordvolgorde. De woordvolgorde in Engelstalige juridische
    documenten kan nogal een afwijken van de normale woordvolgorde: zinnen als the provisions for termination hereinafter appearing of anders will at the cost of the
    borrower forthwith comply with the same
    kom je geregeld tegen. Hoogstwaarschijnlijk is de invloed van Franse grammaticale structuren hier debet aan.
  • Het gebruik van phrasal verbs, ofwel werkwoorden met een vast voorzetsel. In
    Modern Standard English al één van de lastigste dingen om onder de knie te krijgen en met oneindig veel groter gebruik dan in het Nederlands. Bovendien met vaak een strikt juridische betekenis. Bijv. parties enter into contracts, put down
    deposits, serve [documents] upon other parties, write off debts, etc. etc. En om het nog iets ingewikkelder te maken: Engelse phrasal verbs  dienen vaak ter vervanging van een formeler (vaak Latijns) synoniem, bijvoorbeeld get together in plaats van congegrate, put off in plaats van postpone en ga zo maar door.
  • En dan verder nog het gebruik van archaïsche woorden (zie o.a hier), het overvloedig gebruik van de passieve vorm, het gebruik van nominalisaties (lees hier meer), het gebruik van (vaak) Latijnse afkortingen, enz. enz.

Kortom, Legal English/Juridisch Nederlands heeft zo veel meer kenmerken dan alleen
archaïsmen. Het is jammer dat in de titel van het artikel van Van der Brugge en De Groot weer het woord term ‘Jip-en-Janneketaal’ voorkomt (waarschijnlijk door een redacteur
verzonnen, want verder wordt het woord niet gebruikt). Zo wordt de discussie de hele tijd richting ‘kinderachtig’ getrokken. Beter zou zijn een term als ‘begrijpelijk Nederlands’ te gebruiken. Want hiermee stel je dan gelijk de hamvraag: “Begrijpelijk voor WIE?”. Het maakt nogal uit of je een tekst schrijft om in een rechtszaal te gebruiken of om
buurtbewoners van het e.e.a. op de hoogte te stellen.

De woorden Legal (in legal English) en Juridisch (in Juridisch Nederlands) geven aan dat het hier om een “professionele variant” van het Engels/Nederlands gaat. Kortom: een techniek. Denk eerst eens na voor wie je een tekst schrijft, en pas daar je schrijftechniek aan.

What’s in a language? (2)

Bestaat Legal English eigenlijk wel?

We hebben in onze overmoed deze blog nu wel “Branch Out Legal English Blog” genoemd, maar is dat wel een juiste naam? Met andere woorden: bestaat er wel zoiets als Legal English? Daarover het volgende:

Zoals wellicht bekend, bestaat er een Cambridge certificaat Legal English (ILEC). ILEC zegt zelf dat “ILEC assesses language skills in a legal context”. Wat ILEC (of, liever gezegd: de training die voorbereidt op het Certificaat…) heel specifiek NIET doet, is het geheel op inhoudelijke, juridische merites beoordelen. Wat maar goed is ook, want cursisten uit verschillende landen zullen met verschillende rechtssystemen te maken hebben. Een verstandige woordkeuze derhalve, die “language skills in a legal context”, Engels in een juridische setting (NB. dat wat Branch Out ook doet).

Waarom is het zo moeizaam om Legal English te definiëren? De oorzaak zou kunnen liggen in het feit dat er zich veel problemen voordoen als je van een civil law-omgeving naar een common law-omgeving gaat (en andersom, natuurlijk). Er zijn veel voorbeelden aan te dragen van civil law-begrippen die niet eens bestaan of anders worden geïnterpreteerd in common law (en andersom, natuurlijk). Een aantal van die voorbeelden zijn in deze blog al eens de revue gepasseerd en zullen ongetwijfeld ook in de toekomst nog opduiken.

Heel erg bijzonder is dat echter niet…. Probeer bijvoorbeeld maar eens in het Engels te praten over erfpacht of hypotheekrenteaftrek,  of om het even over andere (typisch Nederlandse) fenomenen die in het buitenland niet bestaan. Sommigen onder ons menen zelfs dat het woord ‘gezelligheid’ al onvertaalbaar is. En hadden de Eskimo’s niet ooit eens 32 verschillende woorden voor sneeuw? Als er in die zin al iets bestaat als Legal English zou er ook een waterbouwkundig Nederlands moeten bestaan, of een bonzaiboomkweek Japans.

So much for Legal English, zou je dan geneigd zijn te geloven. Alleen, Engels is nu eenmaal de lingua franca van de juridische wereld en Nederlands niet die van de waterbouwkundige en het Japans niet die van miniatuurflora. Sterker nog, ik vermoed dat er veel meer in het Engels wordt geschreven over afwateringssystemen en bladsnoeitechnieken dan in het Nederlands of in het Japans.

Er is een mondiale behoefte aan een gezamenlijke taal waarin we niet alleen onze overeenkomsten kunnen sluiten en onze geschillen kunnen oplossen, maar ook om simpelweg met elkaar te communiceren. Dat is om allerlei, nu niet nader te noemen, redenen Engels geworden. En als je bedenkt dat er al ruime onenigheid bestaat over wat “Engels” is, gezien de enorme hoeveelheid regionale varianten en dialecten met elke hun eigen grammaticale eigenaardigheden en unieke woordenschat, dan kan iets als Legal English er ook nog wel bij.

En misschien is het daarom dan ook een goed idee om Legal English als een ‘variant’ te beschouwen, een ‘professionele variant’, als zoiets bestaat.  Want dát het afwijkt van normaal Standard British English is zeker. De vragen “Waar wijkt het af?” en “Waarom wijkt het af?”, of “Kan het ook anders?”, zijn weer hele andere vragen die we in latere blogs wel eens zullen behandelen.

Legal Writing (iets anders dus dan Legal English!)-goeroe prof. David Mellinkoff schrijft in “Legal Writing: Sense and Nonsense” (New York, 1982): “If it’s bad writing by the standards of ordinary English, it is bad legal writing. If it’s good legal writing by the standards of ordinary English, it is more likely to be good legal writing.”

Bestaat er dus iets dat heet Legal English? Ja en nee, zouden we antwoorden. Voorlopig blijven we deze blog in ieder geval nog een tijdje Branch Out Legal English Blog noemen….

What’s in a language? (1)

Zelfs als de grammatica en de spelling correct is, zien Engelstaligen al snel dat een tekst niet door een moedertaalspreker Engels is geschreven. Hoe komt dat? Hier zijn veel redenen voor die wij onder het kopje “What’s in a language?” zullen behandelen.

Vorige week hadden we het (in Clarity (2)) over SVOMPT: de correcte zinsstructuur in het Engels (Subject – Verb – Object – Manner – Place – Time). Het voorbeeld was ‘We sent the contract by courier to Amsterdam yesterday’. We pretendeerden dat dit DÉ correcte Engelse zin was. Alleen …:

  1. Yesterday, we sent the contract by courier to Amsterdam
  2. By courier, we sent the contract to Amsterdam yesterday
  3. To Amsterdam, we sent the contract by courier yesterday

… zijn grammaticaal nét zo correct. (ps. over die komma hebben we het later nog wel eens in Clarity (3)).

Wat is eigenlijk ‘correct’ en ‘fout’? Heel bot gezegd is er geen goed en fout. De vraag ‘Is dit goed Engels?‘ is van een andere aard dan vragen als ‘Is de uitkomst van deze optelling goed?‘ of ‘Is deze stad de hoofdstad van dit land?‘. Het antwoord op de tweede vraag is altijd na te rekenen, het antwoord op de derde vraag is altijd op te zoeken. Of iets ‘goed’ Engels is, kan echter niet altijd afgeleid worden uit taalregels of opgezocht in een taalboek. De grammaticaliteit of aanvaardbaarheid van structuren (en andere elementen) van het Engels wordt uiteindelijk bepaald door de Engelstaligen zelf.

In Nederland hebben we nog een officieel (rijks)instituut als de Nederlandse Taalunie en officiële instanties die trachten een officiële spelling in te voeren, maar de Engelsen (en de Amerikanen en de Australiërs etc.) moeten het zelfs zonder dergelijke instanties doen.

In plaats van “goed/fout” is het dan misschien beter om over “gebruikelijk/ongebruikelijk” te spreken. En al wat “ongebruikelijk” is in een tekst, leidt af van de inhoud. Verreweg de meeste Engelstaligen zijn domweg gewend aan SVOMPT-zinnen, met als mogelijke uitzondering voorbeeld 1 hierboven, met Time voorop: TSVOMP. Al het andere leidt af, en wij raden aan een andere woordvolgorde niet te gebruiken, TENZIJ U DAAR EEN HEEL BEPAALDE BEDOELING MEE HEEFT.

En die ‘heeI bepaalde bedoeling’ hebben Nederlandse schrijvers van het Engels vaak juist niet… Het is ons opgevallen dat Nederlandse schrijvers van het Engels vaak heel erg veel informatie voor het Subject zetten, net zoals ze dat in het Nederlands ook doen. Opnieuw: dat is niet per sé “fout” maar “ongebruikelijk” (en dus afleidend en dus on-Engels). Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn Nederlanders vaak zaken vóór het Subject zetten om iets extra te benadrukken. Engels is (in gesproken vorm) een veel melodieuzere taal en Engelstaligen hebben derhalve veel meer mogelijkheden om in een (gesproken) zin bepaalde onderwerpen te accentueren.

Een andere, veel minder speculatieve, verklaring is dat Engels een veel compactere taal is dan het Nederlands. De schatting is dat het Nederlands ongeveer 20% meer woorden nodig heeft voor eenzelfde tekst in het Engels (vergelijk maar eens een Nederlandse vertaling van een Engels boek: vaak een stuk dikker).

Om zinnen en alinea’s beter op elkaar aan te laten sluiten (de tekst te laten “lopen”) gebruikt het Nederlands vaak herhalingen/samenvattingen van delen van de vorige zin/alinea. Dit terwijl het Engels vaak volstaat met een enkel voegwoord. In trainingen schrijfvaardigheid Nederlands voor Engelstaligen, heb ik vaak van mijn cursisten moeten horen: “Ja, maar dat heb ik toch al geschreven… Waarom moet ik het dan nóg een keer schrijven?“ Het blijkt voor Engelstaligen vaak lastig om een Nederlandse ‘toon’ aan te slaan. Waarschijnlijk net zo lastig als andersom…

Lange zinnen, herhalingen en zaken voor het Subject zijn derhalve (vaak) “onEngels”. En dat is een reden waarom Engelstaligen vaak al snel zien dat een tekst door een niet-Engelstalig persoon is geschreven, ook al kloppen de grammatica, de spelling, etc. etc. Natuurlijk zijn er wel meer redenen, maar daar komen we in volgend blogs nog wel eens op terug.

Schrijf in het Engels dus als een Engelstalige. Wees kort en to the point (KISS), volg zo veel mogelijk SVOMPT, kijk nog eens wat u allemaal met voegwoorden kan doen, en bedenk of u van een lange zin niet beter twee zinnen kunt maken. Uw stukken schrijft u immers voor de (Engelstalige) lezer en als u wilt dat zij zich zo veel mogelijk op de inhoud van uw teksten concentreren, zorg dan dat ze niet worden afgeleid.