What’s in a word? (42)

Natuurlijk is “taal” het belangrijkste instrument van een advocaat. Alleen, in sommige
landen (en met name landen met een common law-rechtssysteem, ofwel: de meeste Engelstalige landen) lijkt het nog een stuk belangrijker dan in landen met een civil law-systeem (ofwel: de meeste Europese, niet-Engelstalige, landen). Of anders gezegd: landen waar de “letter van de wet” prevaleert boven de “geest van de wet”.

In 2014 schreef ik al eens een blog over de explosieve toename van het gebruik van
woordenboeken bij het Amerikaanse Supreme Court (hier nog te lezen). Ik schreef toen dat o.a. de historische interpretatie van het woord marriage de acceptatie in de VS (en dus de juridische onderbouwing) van het homohuwelijk flink in de weg heeft gezeten.

Al in 1945 schreef Judge Learned Hand in zijn vonnis in Cabell v. Markham: It is one of the surest indexes of a mature and developed jurisprudence not to make a fortress out of the
dictionary.
(De zaak ging over hoe het woord associate  geïnterpreteerd diende te worden). Hoewel hij dit hoogstwaarschijnlijk niet zo bedoeld heeft, moeten Learned Hand’s
woorden een aantal mensen aan het denken hebben gezet in de richting van: “nee, alleen woordenboeken zijn niet genoeg”.

Aangezet door steeds grotere digitale mogelijkheden om teksten en archieven te doorzoeken, kwam rond 2010 de Law & Corpus Linguistics-beweging op stoom. Law & Corpus Linguistics (LCL) is nu een snel opkomende juridische discipline die de kracht van big data wil benutten om empirisch bewijs te leveren over de betekenis van woorden en zinnen in juridische instrumenten. De Brigham Young Law School begon in 2013 met een leergang law and corpus linguistics en steeds meer Amerikaanse universiteiten bieden nu deze
mogelijkheid.

In juli 2011 kwam de eerste rechterlijke mening in de Amerikaanse geschiedenis die
corpuslinguïstiek gebruikte om de betekenis van een juridische tekst te bepalen. In In re. the Adoption of Baby EZ (een adoptiezaak) ging het over het woord custody. Opperrechter Lee bekeek 500 gerandomiseerde voorbeeldzinnen uit het Corpus of Contemporary American English (COCA) en ontdekte dat de meest gebruikelijke opvatting van “voogdij” (custody, dus) lag in de context van echtscheiding in plaats van adoptie. Verder ontdekte hij dat “voogdij” tien keer vaker voorkwam in combinatie met “echtscheiding” dan met “adoptie”. Justice Lee concludeerde daaruit dat hij zou (moeten) vinden dat de voogdij-
procedures beperkt zouden moeten worden tot echtscheidingsprocedures, in plaats van een veel breder scala van voogdijprocedures.

Sindsdien vragen rechters steeds vaker om corpuslinguïstiek in te zetten. Wat moet je
bijvoorbeeld met het verbod to carry a firearm? Betekent dat écht een wapen op je lichaam te dragen, zoals vermoedelijk de bedoeling was toen die wet geschreven werd, of betekent het ook dat een wapen in je dashboardkastje van je auto onder to carry a firearm valt, zoals in Muscarello vs. United States aan de orde kwam?  Auto’s namelijk, laat staan dashboardkastjes, bestonden niet toen die wet van kracht werd. Het Supreme Court, overigens, meende dat hier geen verschil in was…

Corpuslinguïstiek wordt door Amerikaans rechtbanken momenteel regelmatig ingezet
zodat woorden in wetten hun “gewone” betekenis krijgen. De regel is gebaseerd op de veronderstelling dat de wetgever hoogstwaarschijnlijk heeft bedoeld dat de taal in hun gewone betekenis wordt begrepen, én op de veronderstelling (en: hoop) dat mensen die aan dergelijke wetten onderworpen zijn, zo beter hun rechten en plichten zullen begrijpen. Jammer genoeg zijn rechtbanken het echter niet eens als het erom gaat te bepalen welke van de beschikbare betekenissen van een term de “gewone” is. Beslissingen worden (gelukkig nog steeds) genomen op basis van 1) de linguïstische intuïtie van de rechter, 2) woordenboekdefinities, maar 3) verwijzingen naar linguïstische corpora worden steeds
belangrijker.

Op dit moment speelt een hoger beroep in Jones vs. Becerra  waar de rechters aanvullende informatie hebben aangevraagd. Jones vs. Becerra is een zaak betreffende de grondwettigheid van een Californisch statuut dat de verkoop van vuurwapens aan personen onder de 21 jaar verbiedt. Het gaat over de zinsneden in het Tweede Amendement van de Amerikaanse grondwet (uit het jaar 1791) of particulier wapenbezit nu wel of niet is
toegestaan. Wat betekenden, op het moment van schrijven, de zinsneden: a well regulated militia, the right of the people of shall not be infringed? En dus: wat was de bedoeling van de schrijvers van dat amendement?

Woorden betekenen écht iets in de Engelstalige rechtspraak! (Hoewel het feit, hoe je het wendt of keert, natuurlijk blijft hoe daarmee om te gaan…).

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *