What’s in a word (7)

Ja, wat zit er eigenlijk in een woord? En vindt iedereen dat daar hetzelfde in zit? Als we het niet weten, dan zoeken we het toch gewoon op in het woordenboek? Houdt iemand in Nederland bij hoe vaak woordenboeken worden gebruikt tijdens een rechtszaak? In de Verenigde Staten wel. En daar begint men zo langzamerhand wat vraagtekens bij te zetten.

De Marquette Law Review (hier te lezen) telde dat het Supreme Court in de periode 2000-2010 in 225 rechtszaken maar liefst 295 keer het woordenboek raadpleegde om woorden en begrippen te definiëren. In de jaren 1960-1970 was dat het geval voor 23 woorden in 16 zaken… Vorig jaar werd in maar liefst 20% van de zaken die aan het Supreme Court werden voorgelegd, het woordenboek ingekeken! (lees hier). “Het” woordenboek, dáár wringt ‘m nu juist de schoen! Want Gordon Christy van de Mississippi College School of Law merkt (terecht) op: “We are treated to the truly absurd spectacle of august justices and judges arguing over which unreliable dictionary and which unreliable dictionary definition should be deemed authoritative.” 

Het is namelijk maar de vraag in hoeverre woordenboeken een objectieve uitleg geven van de woorden die worden opgezocht. Bovendien maakt het nogal wat uit wélk woordenboek uit wélk jaar wordt gebruikt. Jesse Sheidlower, hoofdredacteur van de Oxford English Dictionary, merkt op dat het niet moeilijk is om in woordenboeken een betekenis te vinden die juist wel of juist niet de nuance accentueert waar juristen naar op zoek zijn.  De betekenis van ‘marriage’, zoals vastgelegd in woordenboeken, heeft bijv. een belangrijke rol gespeeld in zaken rond het homohuwelijk (U.S. v. Windsor);  de federale definitie (die vaak verbluffend overeenkwam met de beschrijving in bijna alle woordenboeken…) van marriage als a legal union between one man and one woman heeft veel juridisch getouwtrek veroorzaakt…

Een korte blik op uitspraken door Nederlandse rechtbanken leert ons dat het woordenboek door allerlei partijen te pas en te onpas wordt ingezet als juridische ammunitie (ook bekend onder de noemer “grammaticale interpretatiemethode”). Grappig genoeg echter: onder “het” woordenboek wordt vrijwel altijd de Van Dale verstaan (soms met het omineuze bijvoegsel het-groot-woordenboek-der-Nederlandse-taal).  Andere woordenboeken bestaan niet in het juridische heelal: nergens een Koenen, noch een Kramers, een Prisma of zelfs een Summa te bespeuren. Terwijl dat er toch vaak terdege toe kan doen…

Vorige maand nog oordeelde de rechtbank Overijssel dat de gemeente Steenwijk de omgevingsvergunning voor de bouw van een hypermarkt in Steenwijk terecht heeft verleend: er zijn geen aanwijzingen dat “de hypermarkt een winkelcentrum wordt”. De gemeente volgde de omschrijving uit de Van Dale: “supermarkt met het assortiment van een warenhuis”.  De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de hypermarkt niet zal voldoen aan deze omschrijving….  (ECLI:NL:RBOVE:2014:1630). En wat nou als Koenen, of Kramers (etc) een andere omschrijving hadden gegeven? Of erger nog… wat als het hele woord niet (of nóg niet) in een woordenboek had gestaan? Zoals bijvoorbeeld de beruchte zaak uit 2009 over het gebruikte woord “blog” in een Belgische zaak? (lees hier verder)

Wie heeft trouwens ooit bedacht dat het de Van Dale (met of zonder “Groot Woordenboek der Nederlandse Taal”) moet zijn als ultieme autoriteit op dit gebied? Hoogstwaarschijnlijk  de marketingafdeling van Van Dale, die er in is geslaagd Van Dale synoniem te maken met ‘woordenboek’ (net zoals het de marketingafdelingen van Asperine, Hoover, Xerox, Cellofaan etc. ook gelukt is met hun producten) .

De schrijvers van het Marquette Law Review artikel stellen dat rechters nooit precies uit de doeken doen waarom ze precies specifiek dát woordenboek gebruikten bij hun oordelen. Ze sluiten af met een pleidooi voor een richtlijn “wanneer en hoe welk specifiek woordenboek te gebruiken en hoe een woordenboekendefinitie te interpreteren”. Misschien moeten we dat in Nederland ook maar eens gaan doen.

Nóg beter is natuurlijk woordenboeken helemaal te vermijden. Supreme Court rechters Oliver Wendell Holmes Jr., Benjamin N. Cardozo en Louis D. Brandeis slaagden er in hun hele carrière in nooit ook maar één woordenboek te citeren. Judge Learned Hand (wiens wijze woorden we al eerder zijn tegengekomen in deze blog) merkte in 1945 al op: “It is one of the surest indexes of a mature and developed jurisprudence not to make a fortress out of the dictionary, but to remember that statutes always have some purpose or object to accomplish, whose sympathetic and imaginative discovery is the surest guide to their meaning.” (lees hier). 

Ps:
Over Xerox en de betekenis van woorden gesproken… Alsof de duivel ermee speelt, maar een dag nadat ik dit schreef, verscheen het volgende item op de NRC-site (klik hier).  Klassiek en écht gebeurd! Ik bedoel maar…

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *